Een Assyrische pelgrimage / Column gepubliceerd in Mo Magazine op 14 augustus 2015

Op reis in de VS ben ik onwillekeurig op bedevaart, van het ene Nimrud-eiland naar het andere. De eerste staties waren het Metropolitan Museum en het Brooklyn Museum in New York. Van daar ging het naar het Oriental Institute in Chicago, en het De Young Fine Arts Museum in San Francisco, om te eindigen met het Harvard Semitic Institute en het Museum of Fine Arts in Boston. Een tocht langs 6 van de in totaal 36 VS-musea die artefacten bezitten uit de hoofdstad van de Assyrische vorst Assurnasirpal II.
De pelgrimage betreft geen eerbetoon aan een koning uit de negende eeuw voor Christus. Assurnasirpal II was volgens de Brittanica-encyclopedie ‘wellicht het meest bekend wegens zijn onwaarschijnlijke openheid over de gruwel waaraan hij zijn gevangenen onderwierp’. Ongeveer alles wat we over zijn bewind weten, stoelt op zijn eigen inscripties in Nimrud. ‘Veel van de gevangenen’, zo staat er, ‘heb ik in het vuur verbrand. Het gros leefde nog toen ik ze gevangen nam. Van sommige liet ik de handen afhakken, van anderen de neuzen, oren en vingers. Ik stak de ogen uit van tal van soldaten en verbrandde de jonge mannen, vrouwen en kinderen’. Duizenden anderen werden als slaven ingezet bij de bouw van de paleizen in Nimrud.
Bewondering koester ik voor een dergelijke bruut niet. Ik ga naar Nimrud omdat het er niet meer is. Of tenminste, omdat het alleen nog bestaat in een museale context, van gerestaureerde, opnieuw gemonteerde, genummerde, bestudeerde en geïnterpreteerde artefacten.
Ijverig lees ik de opschriften. Over de lamassu of stierman, die menselijk is boven de gordel en een stier eronder. Hij helpt de mens in zijn gevecht tegen het kwaad en de chaos, leer ik, en hij houdt de poorten van de dageraad open voor de zonnegod Sjamasj.
De bas-reliefs zijn prachtig, en op een vreemde manier elegant. Ik leer dat je eunuchen herkent aan hun gezette postuur en hun geschoren gezicht en vraag me af waarom er wel goden, bomen, koningen, prinsen en dienaars zijn, maar nooit vrouwen. En hoeveel bijschriften ik ook lees, bij het leven van Assurnasirpal kan ik me weinig voorstellen.
Toegegeven, ik heb me er nooit in verdiept. En aanvankelijk was er geen plan voor een bedevaart. Maar toen kwamen de videobeelden, dit voorjaaar. De werktuigen en de norse tronies. Lelijke, dikke mannen met sandalen. Met de grootste moeite wrikken ze stukken los uit de basreliefs van het paleis, om ze vervolgens in stukken te laten vallen op de grond. Het zijn baardemannen zoals die van Bamiyan, Afghanistan, veertien jaar eerder. Dezelfde hoogmoed, vergelijkbare idiotie. Ze spelen god met onze geschiedenis, onze cultuur, onze identiteit. Zoals ze dat uiteraard ook hebben gedaan met de mannen, vrouwen en kinderen die hun wereld- en godsbeeld bezoedelden. Omdat ze anders waren en tot religieuze of seksuele minderheden behoorden. Hazara, Yazidi, Koerden, holebi’s,..
Het is aan die beelden dat ik denk als ik de bijschriften lees in het Brooklyn Museum. ‘In 1840 bemerkte de jonge Engelse diplomaat Austen Henry Layard een opmerkelijke terp terwijl hij een boottocht maakte op de Tigris. Vijf jaar later kwam hij terug om de restanten van het paleis op te graven, waarbij hij zijn vondsten naar het British Museum in Londen verscheepte. Layard bezorgde die instantie dermate veel monumentale sculpturen en bas-reliefs dat het museum besloot er een aantal van te verkopen, waaronder de twaalf die u hier ziet. In 1855 werden ze door de Amerikaan Henry Stevens gekocht en naar Boston verscheept. Maar toen hij ze daar niet aan de man gebracht kreeg, verkocht hij ze aan James Lenox van de New York Historical Society. Deze instantie leende ze in 1937 aan het Brooklyn Museum uit en de New Yorkse collectioneur en handelaar Hagop Kevorkian zorgde in 1955 voor de nodige fondsen opdat het museum ze definitief kon aankopen. Bijgevolg werd de gallerij naar hem genoemd’.
De stukken in het Oriental Institute in Chicago dateren van de jaren twintig van de vorige eeuw. ‘De vondsen van het seizoen werden onder de archeologische teams verdeeld. Ons aandeel werd vervolgens naar Chicago verscheept’, zo lees ik daar.
Het zijn stuk voor stuk verhalen van kolonisatie, ongelijkheid, plundering en verlichte mannen met veel centen (god weet hoe ze eraan kwamen). Hoeveel Irakezen kunnen de Kevorkian Gallery of het Oriental Institute bezoeken? Zien ze een van de andere 75 musea in de hele wereld die artefacten uit Nimrud bezitten en zou het verlangen om het eigen erfgoed te aanschouwen voldoende reden zijn voor het verlenen van een visum?
En dan die beelden. Wat niet onrechtmatig is afgevoerd, werd onderhand verkocht of vergruizeld. De noodzaak tot restitutie versus het gevaar van vernietiging. Moeten we onderhand opgelucht zijn dat de pracht van het hof van Assurnasirpal II zich heeft verspreid over de hele westerse wereld? Het is een bittere gedachte.