Hoe een Koerd zes jaar cel kreeg op Papoea

De Britten willen ‘illegale migranten’ naar Rwanda sturen. Twee decennia lang probeerde Australië de tactiek uit. Voor de Iraans-Koerdische politoloog Behrouz Boochani betekende dat zes jaar onwettige detentie op Papoea-Nieuw-Guinea.

Migranten maken 5 procent van de EU-bevolking uit. Toch denkt bijna driekwart van de Europeanen dat het er véél meer zijn, zo blijkt uit de Eurobarometer, een reeks enquêtes in opdracht van de Europese Commissie. En zo krijg je omvolkingstheorieën en beweert zelfs een Antwerpse bisschop dat ‘Vlaanderen bijna aan de grens zit van het aantal mensen dat hier kan wonen en werken’.

Vol is vol, is de teneur. En ook: als we dat nou eens zouden oplossen door de ‘illegale migranten’ te exporteren, en onbemiddelde naties te betalen om zich over hen te ontfermen? Kwestie van ‘de boten te stoppen’ en de ‘mensensmokkelaars de wind uit de zeilen te nemen’. Tenminste, zo legde de Britse regering het vorige lente uit, toen ze een dergelijke deal uitwerkte met Rwanda – een akkoord waar bij ons ook Vlaams Belang en N-VA wel oren naar hebben.

Toegegeven, volgens experts is het plan praktisch onhaalbaar vanwege de grote aantallen irreguliere migranten. En ook op wettelijk vlak knelt het schoentje: Britse rechters zagen er geen graten in, maar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hield de eerste uitwijzing tegen, omdat ze in strijd is met het Vluchtelingenverdrag uit 1951 en met de Europese grondrechten.

Nieuw is het idee niet. Denemarken was in 1986 het eerste EU-land dat met een dergelijk voorstel bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanklopte. Het idee kreeg nieuwe aandacht in 2003, met de ‘nieuwe visie voor vluchtelingen’ van de toenmalige Britse premier Tony Blair. In de jaren die volgden kwamen de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Otto Schily, de Franse president Emmanuel Macron en de Oostenrijkse bondskanselier Sebastian Kurz met vergelijkbare suggesties. Allemaal strandden ze op onze internationale wettelijke verplichtingen.

Toch werden er al enige pogingen gewaagd. De Verenigde Staten sloten in de jaren 1990 eerst Haïtiaanse en vervolgens ook Cubaanse bootvluchtelingen op in Guantanamo Bay. De regering van president Donald Trump schoof illegale migranten af op Guatemala, Honduras en El Salvador. En vanaf 2014 stuurde Israël 4000 mensen naar Oeganda en Rwanda.

Het opmerkelijkst was het Australische voorbeeld. Canberra besteedde vanaf 2001 (met enige onderbrekingen) zijn bootvluchtelingen uit aan buurlanden in de Stille Oceaan. De Iraans-Koerdische politoloog en schrijver Behrouz Boochani ondervond het aan den lijve. Zijn pogingen om naar Australië te vluchten strandden in Manus, Papoea-Nieuw-Guinea. Zes jaar lang probeerde hij te overleven in een smerige, overvolle, snikhete gevangenis. Daar begon hij te schrijven: artikels voor buitenlandse kranten zoals The Guardian en The Sydney Morning Herald, maar ook gedichten en dagboekaantekeningen, die hij via een gesmokkeld mobieltje en WhatsApp naar medestanders verstuurde.

Na de sluiting van Manus in 2017 – het Hooggerechtshof van Papoea-Nieuw-Guinea achtte het complex in strijd met de mensenrechten – werd Boochani naar de hoofdstad Port Moresby overgebracht. Zijn boek Alleen de bergen zijn mijn vrienden werd in 2018 in Australië gepubliceerd en won meteen tal van literaire prijzen. In juli 2020 kreeg Boochani asiel in Nieuw-Zeeland, en eind vorig jaar schreef hij samen met academici en activisten Freedom, Only Freedom, een theoretisch uitgewerkt commentaar op zijn ervaringen.

Boochani’s verhaal begint in mei 2013, een paar maanden voor zijn dertigste verjaardag. Veiligheidsagenten vallen binnen bij Warya, het Koerdische blad waar hij voor werkt. Tien van zijn collega’s worden gearresteerd. Wanneer Boochani het nieuws hoort, besluit hij te vluchten naar Indonesië. Waarom uitgerekend daarheen? ‘Ach, het was de smokkelaar die voorstelde om naar Jakarta te vliegen’, legt hij uit. ‘Er was weinig tijd om verschillende opties te overwegen. Het enige wat telde, was wegkomen.’

Indonesië viel erg tegen?

Behrouz Boochani: Het waren drie maanden van opgejaagd en hongerig rondzwerven, eerst op Java en daarna in Kendari, op Sulawesi. We hadden gehoord dat je van daaruit makkelijk het vervolg van je reis kon plannen. Niet dus. In de laatste veertig dagen verhongerde ik bijna in de kelder van een piepklein hotel. De politie was naar ons op zoek, arrestanten werden na een paar dagen gedeporteerd – daar was ik als de dood voor.

Uw eerste vluchtpoging naar Australië mislukte. Een zeereis van zes uur eindigde in een Indonesische gevangenis, waaruit u korte tijd later ontsnapte. Maar ook de tweede tocht overleefde u ternauwernood.

Boochani: Ik ging uitgehongerd aan boord en vond op de derde of vierde dag achter een vettige machine een pinda, zwart van het vuil. Die heeft me door de volgende dagen gesleept. En dat was niet eens het ergste. Door een gat aan de onderkant begon de boot water te maken. De kapitein wilden terugkeren, maar daar verzetten we ons tegen. Ondertussen bleef het water stijgen, hoezeer we ook hoosden. Er werd gehuild, gebeden en uiteindelijk daalde een vreemde gelatenheid over ons neer. De dood leek onafwendbaar. Tegen de tijd dat we door een Brits vrachtschip werden opgevist, was één jongeman verdronken.

Er was weinig solidariteit aan boord. Iedereen probeerde het beste voor zichzelf te bemachtigen, of het nu ging om de beste plek, het meeste eten of sigaretten na de redding.

Boochani: Je hebt geen idee wat je overlevingsinstinct met je doet. Mensen worden hongerige, wilde wolven. De verdeling was nooit eerlijk, maar volgens de wetten van de jungle was het pure rechtvaardigheid.

De aankomst in Australië gaf u het gevoel dat ‘het leven zijn liefde over u had uitgestrooid’. Dat pakte anders uit.

Boochani: We kwamen aan op mijn dertigste verjaardag. Niemand was zich bewust van het feit dat Australië vier dagen eerder, op 19 juli 2013, een nieuwe overeenkomst had ondertekend met Papoea-Nieuw-Guinea. Die hield in dat alle mannen die in de Australische wateren werden aangetroffen voortaan in Manus zouden worden opgesloten. De vrouwen en kinderen gingen naar Nauru. In afwachting van de transfer werden we een maand lang vastgehouden op Christmas Island. Dat kwam hierop neer: een kooi, hoge muren, prikkeldraad, elektrische deuren en beveiligingscamera’s. Zelfs op het toilet werden we gefilmd.

Daar kreeg u ook een nummer: voortaan was u MEG45.

Boochani: Je naam verliezen is een vorm van ontmenselijking. Ik trachtte mijn verbeeldingskracht aan te wenden om er een nieuwe betekenis aan te geven. Ben ik nu meneer Meg? Ik heb al mijn hele leven een hekel aan cijfers en wiskunde – waar kan ik dit cijfer nu aan verbinden? Er schoot me niets anders te binnen dan het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog.

Op Christmas Island werd u ‘voorbereid’ op Manus. Hoe ging dat?

Boochani: Ons werd verteld dat er kannibalen woonden – maar aan de broodmagere man die ik ondertussen was, zouden ze alvast geen vette kluif hebben. Ook hoorden we horrorverhalen over insecten, maar mij kon het weinig schelen. Ik wilde alleen dat het wachten zou ophouden.

Bij het vertrek naar Manus stonden de journalisten klaar. ‘Ze hangen rond als aasgieren’, schrijft u. ‘Ze willen zich op die zielige en hulpeloze mensen storten’ die het vliegtuig in moesten worden gesleept.

Boochani: In Indonesië had ik een vergelijkbare ervaring, na onze eerste, mislukte bootreis. Ik was bijna verdronken en waarlijk getraumatiseerd door de zee. En dan word je gefotografeerd, gefilmd, van elke waardigheid ontdaan. Ik verachtte het idee dat mensen medelijden met mij zouden hebben – wat je in de linkse pers ziet – evenzeer als de gedachte dat we zouden worden voorgesteld als criminelen, mensen die andermans plek willen inpikken – het discours van rechts. In beide gevallen ben je een ding, niet in staat tot enige beslissing of verantwoordelijkheid. Heel ver verwijderd dus van de normale mens en de complexiteit van het leven.

Na een maand op Manus zag u zichzelf als ‘een stuk vlees dat op een onbekend eiland is gegooid’. U schrijft: ‘Ik hang rond tussen een zee van mensen met gezichten die vervuild en vervormd zijn door woede, gezichten getekend door vijandigheid.’ Dat is erg grimmig.

Boochani: We zaten in de Lombrum Naval Base, die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Amerikaanse zeemacht was gebouwd. Daar werden we niet gefolterd in de klassieke zin van het woord, maar wél onderworpen aan onmenselijke omstandigheden. In de Fox-gevangenis waar ik was ondergebracht, leefden bijna 400 mannen op een oppervlakte kleiner dan een voetbalveld. Boze, ontwortelde, beschadigde mensen, stuk voor stuk. Die zijn veroordeeld tot een systeem van permanente surveillance, eeuwige lange rijen voor alles, een structureel gebrek aan medicijnen en medische zorg, slecht en onvoldoende eten, rudimentaire hygiëne en een onontwarbaar kluwen van regels. Niet naar muziek mogen luisteren, zelfs niet mogen kaarten. Ik herinner me dat een paar mannen met een zwarte stift een backgammonbord op een witte plastic tafel hadden getekend en speelden met dopjes van waterflesjes als stenen. Vrijwel onmiddellijk kwamen de bewakers: spelen verboden, schreven ze in grote letters, en ze namen alles in beslag.

Waarom?

Boochani: Ze wilden ons dwingen om in te stemmen met ‘vrijwillige terugkeer’ naar ons land – wat sommigen ook deden. Later hoorden we dat Syriërs na hun repatriëring gewond waren geraakt bij een aanslag.

Daarnaast is spelen natuurlijk een vorm van verzet. Het is een wapen tegen de ergste plaag van Manus: het eeuwige wachten.

Hoe bedoelt u?

Boochani: Een gedetineerde die een straf uitzit, kan plannen maken, de dagen doorstrepen. Wij wisten volstrekt niet hoelang we zouden worden vastgehouden – er waren misdaad, proces noch strafmaat. Dat drijft je tot wanhoop. Vandaar ook het hoge aantal zelfmoordpogingen, de vele gevallen van zelfmutilatie, de mensen die door het lint gingen en daarvoor driest werden aangepakt. Veertien mannen hebben Manus niet overleefd.

Uw belangrijkste verzet was schrijven. Hoe ging dat?

Boochani: Schrijven was een poging om mijn oude identiteit terug te winnen en mens te blijven. Eerst gebruikte ik één keer per week een van de computers van de gevangenis. Later schakelde ik over op mobieltjes die ik in ruil voor sigaretten en andere goederen de gevangenis in wist te smokkelen. Ik schreef in WhatsApp, sloeg daar zinnen of paragrafen op die ik eindeloos herwerkte. Ik stuurde ze door naar Janet Galbraith, die de groep Writing through Fences oprichtte en samenwerkte met de vertalers Moones Mansoubi en Omid Tofighian.

Uiteindelijk werd het detentiekamp gesloten, en u kreeg asiel in Nieuw-Zeeland. Hoe rekende u daarna af met de negatieve emoties?

Boochani: Toen ik vastzat, domineerden gevoelens van frustratie en haat – ik heb ze achteraf niet willen afvlakken, dat zou de authenticiteit van het boek schaden. Maar ondertussen is de woede weggeëbd, toch in persoonlijke zin. Maar politiek gezien moet je boos blijven, anders verlies je de kracht om te vechten voor verandering. Ik heb een enorme verantwoordelijkheid, ik moet blijven vechten tegen het huidige migratiebeleid. Tegelijk wil ik ook meer zijn dan een vluchteling.

Voorlopig lijkt de strijd niet gewonnen: het antimigratiediscours van extreemrechts wint overal veld. 

Het Verenigd Koninkrijk wil asielzoekers naar Rwanda deporteren. Wat is uw boodschap voor premier Rishi Sunak?

Boochani: Ik doe mijn best om inzicht te verschaffen in het leven van vluchtelingen. Alleen als mensen zich met hen kunnen identificeren, kan er empathie en verandering komen. Praten met politici interesseert me niet, het is tot de burgers dat ik me wil richten. Zíj bepalen uiteindelijk de richting. Tegen hen wil ik zeggen: de strijd gaat niet alleen om vluchtelingen, het zijn de democratie en de rechtsstaat die op het spel staan. De afbrokkeling daarvan begint altijd bij de zwakste elementen. Als Europa een loopje neemt met de principes waarop het is gebouwd, zullen autoritaire regimes nog minder terugdeinzen voor grove schendingen van de mensenrechten. En vergeet niet dat de ‘Rwanda-oplossing’ een nieuwe invulling is van het oude koloniale denken, van westerse superioriteit. De niet-westerse mens als mindermens.

Main Source: Knack.be