Documentairemaakster Ji Dan zoomt in op de onderklasse van China

‘Er is geen hoop,
schoonheid
of liefde in
hun leven,
en dat is
veel erger
dan het gebrek
aan centen’

De onafhankelijke Chinese documentairemaakster Ji Dan (49) richt haar aandacht op de zwarte plekken van de Chinese maatschappij. Mensen filmen, meent ze, is met hen leven. Anders is er geen nabijheid.

Ji Dan heeft veel weg van een hippie: in haar hele leven heeft ze nooit een officiële job gehad, ze beschikt niet over een eigen huis of auto en brengt de helft van het jaar in de zuidwestelijke provincie Yunnan door, omdat de huishuur er stukken lager ligt dan in Peking. “Vaak vragen journalisten me wat het budget was voor een van mijn documentaires. Ik weet het echt niet. Een bedrijf of werknemers heb ik niet. Ik ben een vrouw met een camera in een rugzak, die haar vriend zover krijgt dat hij de montage van haar film doet. Altijd weer zweert hij dat het de laatste keer is, maar als hij de door mij gemaakte rough cut te zien krijgt, is hij zo ontroerd door het materiaal dat hij meteen aan de slag gaat.” Ze lacht ontdeugend en haalt haar schouders op. “Ik heb geeneens een filmopleiding genoten. In de jaren 80 studeerde ik Chinese literatuur en (Nobelprijswinnaar) Liu Xiaobo was in die tijd mijn geprefereerde leraar. Naar zijn colleges ging ik altijd, naar de rest maar zelden. De opleiding was reuzesaai. En dat geldt ook voor de studies die ik nadien deed in Tokio. Alleen, ik ontmoette er een groep van jonge, onafhankelijke journalisten en schrijvers die vonden dat we onze eigen realiteit in beeld moesten brengen, de duistere plekken moesten tonen, die onze overheden angstvallig verborgen hielden. Dat was mijn echte leerschool. “Bij mijn terugkeer in 1991 ben ik naar het Tibetaanse platteland getrokken om mijn eerste docu te maken. Ik logeerde bij de mensen thuis en er ging een heel nieuwe wereld voor me open. Bovendien realiseerde ik me dat de Tibetanen, ondanks de vreselijke politieke druk van de Chinese overheid, eigenlijk geluk hadden: ze hadden door de politieke campagnes veel geleden, maar hun identiteit was fundamenteel ongeschonden gebleven. Die zat immers in hun geloof verankerd. Voor mijn volksgenoten geldt dat niet: de Chinese ziel werd in de voorbije decennia vakkundig verpletterd en er bleef een gapende leegte achter. Dat inzicht deed me films over China maken.

Zeldzame inkijk

In het begin werkte ik af en toe voor de Japanse zender NHK om wat centen te verdienen. En het is bij een van die reportages dat ik de kinderen ontmoette die centraal staan in mijn jongste film, When the Bough Breaks. De zender wou een reportage over kinderen van rurale migranten die niet naar school kunnen omdat ze het inschrijvingsgeld niet kunnen betalen. Ik leerde aldus een familie van vuilnissorteerders kennen, met wiens vier kinderen van tussen de 10 en 19 ik algauw een goed contact had. Ik ging in een van de scholen voor migrantenkinderen wonen en filmde hen een maand lang. NHK wilde het verhaal evenwel niet, omdat de kinderen uiteindelijk toch een toelage kregen en op de school konden blijven. Zo gaat het wel vaker: men wil per se een verhaal een bepaalde richting uit sturen. Loopt het anders, dan hoeft het niet meer”. In 2009 namen de kinderen zelf weer contact op met Ji Dan. Het oudste meisje was verdwenen – een verre tante lokte haar de prostitutie in. Bovendien was de economische situatie van de familie erg verslechterd. De twee meisjes, een tweeling van 14 vertelden aan Ji Dan over hun droom: ze wilden ervoor zorgen dat hun erg slimme broertje Gang naar de universiteit kon, wat evenwel een bom duiten zou kosten. “De tieners bewogen hemel en aarde om hem te laten studeren, ze overwogen zelfs om hun maagdelijkheid te verkopen. Zijn diploma zou voor de hele familie uitmonden in een enkeltje naar een beter leven, dachten ze. Dat leek me interessant en aldus zijn we beginnen te filmen”. Wat ontzettend opvalt in de film is de enorme nabijheid. De kijker krijgt een zeldzame inkijk in het leven van vuilnissorteerders die aan de rand van Peking in een zelf ineengeflanst hok wonen. “De Chinese media stellen rurale armen als deze doorgaans voor als loutere slachtoffers, die we op een paternalistische manier moeten helpen. Geef ze centen, denkt men, en het probleem is opgelost. Maar zo zit het niet in elkaar. Wat Xia, Ling en Gang echt parten speelt, is de uitzichtloosheid van de situatie, de voortdurende ruzies tussen een drinkende vader en een onderdanige moeder, de scheldwoorden en vernederingen waartegen de kinderen niets vermogen. Er is geen schoonheid, liefde of hoop in hun leven en dat is veel erger dan het gebrek aan centen.” Met films als When the Bough Breaks hoopt Ji Dan de onverschilligheid te doorbreken die haar zo stoort in de Chinese maatschappij. “Uiteraard wortelt die in ons recente politieke verleden, maar ik vrees dat ze niet te verhelpen is met een loutere machtswissel. Door diep door te dringen in het leven en de aspiraties van Cai, Ling en Gang hoop ik dat de kijker zich met hen kan identificeren en dat de eelt op zijn of haar ziel er minder door wordt”. Maar worden haar documentaires in China vertoond? “Aan de universiteiten wel hoor, ik sta niet op de zwarte lijst. Ik hou me ook niet expliciet met politiek bezig, de zieleroerselen van de onderklasse vind ik veel interessanter. Maar een grote exposure is er inderdaad niet. En dus ook weinig inkomsten. Maar gelukkig kan ik nog op mijn ouders rekenen.