Blinde Chinese boerenzoon overschaduwt strategische gesprekken tussen wereldmachten China en Verenigde Staten

Faut le faire: als blinde Chinese boerenzoon een schaduw werpen over de besprekingen tussen twee grootmachten. En toch is dat wat Chen Guangcheng deed. Eerst met zijn vlucht naar de VS-ambassade in Peking en gisteren met de smeekbede vanaf zijn ziekenbed aan Obama. Of hij en zijn familie naar de VS mogen, want in China zijn ze hun leven niet meer zeker.

In pr-termen is het voor Peking een ramp die haast te vergelijken valt met het Tiananmenbloedbad van juni 1989. Min de duizend doden. Maar met Chen in de rol van Tankman, de al even futiele als onbegrijpelijke macht van één. Pijnlijk zichtbaar, voor het oog van de wereld. Misschien heeft Chen de woorden van China’s leiders al te zeer ter harte genomen. Die van gewezen president Jiang Zemin toch. Tijdens een speech in februari 1996 oreerde die dat China dringend behoefte had aan ‘yifa zhiguo’ (letterlijk: het land via wetten besturen). Met andere woorden: zonder functionerende rechtsstaat kon China zijns inziens geen moderne natie worden. In de jaren die volgden, werd dat credo overal herhaald, tot het in maart 1999 werd ingeschreven in de Chinese grondwet. De blinde Chen predikt geestdriftig ‘yifa zhiguo’, al van toen hij nog een jongeman was. Zijn vader herinnert zich hoe gelukkig hij was toen hij zijn vijfde en jongste zoon ergens in 1990 een bericht uit de krant voorlas. “Voortaan”, zo stond er, “worden de gehandicapten door de lokale overheden vrijgesteld van het betalen van belastingen.” De jonge Chen, die als zuigeling blind werd na hoge koorts, slaakte een vreugdekreet. Tot dan toe had hij zich een last voor de familie gevoeld.

Pesterijen

De wet blijft evenwel een dode letter. De lokale overheid heft in 1996 acht verschillende taksen op de Chens en lacht hun verwijzingen naar de nieuwe wet weg. Chen, die op dat moment een blindenopleiding volgt in Qingdao, besluit met een verzoekschrift naar de hogere autoriteiten te stappen, zoals 10 tot 13 miljoen Chinese burgers dat jaarlijks doen. Bij de provinciale overheid haalt Chen bakzeil maar van de centrale autoriteiten geven hem in 1997 gelijk. Het gezin is voortaan vrijgesteld van lokale heffingen en de blinde jongeman krijgt een gehandicaptentoelage van omgerekend 20 euro per jaar. Gesterkt door zijn overwinning dient Chen in 1998 een nieuw verzoekschrift in, dit keer tegen de niet-naleving van de richtlijnen voor de verdeling van akkerland. Andermaal haalt hij in Peking zijn slag thuis. Maar tegen een bevriend journalist zegt hij te vrezen voor de lokale autoriteiten die hem ‘nu echt haten’. De pesterijen laten niet lang op zich wachten en Chen besluit van dan af de raad van president Jiang Zemin te volgen en met zijn klachten naar de rechtbank te stappen. Hij droomt ervan om rechten te studeren, maar door zijn handicap is dat onmogelijk. Vooreerst zijn alleen de huwelijkswet en de gehandicaptenwet in brailleversie verkrijgbaar en bovendien is de enige hogere studie die voor hem is opengesteld een opleiding tot masseur. Dat weerhoudt er hem evenwel niet van om als vrij student colleges bij te wonen in Nanjing. Daar bouwt hij een deel van het netwerk op dat hem later fundamenteel zal ondersteunen in zijn juridische strijd. Ondertussen helpen zijn broers, vader en later ook zijn vrouw door wetteksten aan hem voor te lezen. Chens enthousiasme is groot. En begrijpelijk. Op papier zijn China’s wetten heel behoorlijk. Alleen loopt het mank bij het toezicht op de naleving ervan en is de rechterlijke macht volstrekt niet onafhankelijk. Rechters worden door partijbonzen benoemd, advocaten zijn verplicht lid van balies die door diezelfde lui worden voorgezeten. En zo hebben de politieke machthebbers altijd het laatste woord.

Illegale lozingen

Chen laat zich evenwel niet uit het veld slaan. Hij helpt een blinde boer een zaak aanspannen tegen de inhalige lokale overheid en wint het pleit. Al gauw wordt hij door tal van gedupeerde boeren aangeklampt. De enen raakten onrechtmatig hun land kwijt, anderen zagen hun grondwater vervuild worden door een illegaal lozend bedrijf. In totaal, zo schat een bevriend journalist, heeft de blinde activist tussen 1999 en zijn arrestatie in 2005 zo’n drieduizend mensen geholpen. Dat nemen de lokale overheden hem niet in dank af. En vooral met het schandaal rond de gedwongen sterilisaties en abortussen in de 10 miljoen zielen tellende prefectuur Linyi schopt hij tegen veel schenen. De moeilijkheden beginnen als eerst in juli 2004 en vervolgens in februari 2005 maatregelen worden uitgevaardigd om het eenkindbeleid harder door te drukken. Families met twee kinderen krijgen nachtelijk bezoek van geboorteplanningsambtenaren die mannen en vrouwen afvoeren voor gedwongen sterilisaties en abortussen. In maart 2005 komen de eerste vrouwen bij Chen aankloppen met gruwelverhalen. Ze willen dat Chen een klacht voor hen indient, aangezien de nationale wetgeving over gezinsplanning niet langer gedwongen sterilisaties en abortussen toestaat. De zelfopgeleide advocaat besluit de zaak eerst te onderzoeken en praat in de lente met honderden radeloze families. Hij komt tot de onthutsende conclusie dat een half miljoen mensen zijn geïntimideerd, beboet, gearresteerd of gemarteld sinds de afkondiging van het verstrengde eenkindbeleid in Linyi. Ondertussen reist Chen herhaaldelijk naar Peking voor overleg met bevriende advocaten, die voor hem ook buitenlandse journalisten contacteren. Maar eenmaal de lokale autoriteiten lucht krijgen van zijn bedoelingen, onderwerpen ze Chen aan huisarrest. Op een donkere nacht in augustus 2005 weet hij evenwel te ontsnappen, en luttele dagen later staat het ophefmakende verhaal in tal van internationale kranten. Politieagenten van Linyi ontvoeren Chen naar zijn geboorteregio en luttele dagen later wordt hij tijdens een schijnproces schuldig bevonden aan vandalisme. Als hij in september 2010 vrijkomt, wacht hem in zijn geboortedorp Dongshigu een nieuwe nachtmerrie. Zonder enige juridische legitimatie krijgt hij huisarrest. Bezoek is verboden, telefoon en internet zijn afgesloten. Pogingen van bevriende activisten en journalisten om toch op visite te komen, lopen uit op knokpartijen. Dongshigu is permanent omsingeld. Als de Chens in februari 2011 een video naar buiten weten te smokkelen waarin ze hun hachelijke levensomstandigheden aanklagen, worden ze door veiligheidsagenten afgetroefd. En ook in de daaropvolgende maanden volgen tal van dreigementen en pogingen tot intimidatie. Maar Chen laat zich niet breken. Hij wacht geduldig op een kans om te ontsnappen. Eerst probeert hij te ontkomen via een zelfgegraven tunnel, later wendt hij dagenlang ziekte voor, opdat de aandacht van zijn bewakers zou verslappen. Dat laatste lijkt te werken. En zo waagt hij het op 22 april om in het holst van de nacht over de muur te klauteren die de overheid rond zijn huis heeft gebouwd. Chen ontkomt naar Peking, waar hij zijn toevlucht zoekt in de VS-ambassade. Diegenen die hem hebben geholpen bij zijn ontsnapping, zijn onderhand opgepakt en riskeren forse straffen. Ook voor de blinde activist zelf is een happy end nu verre van zeker. Het is met hem zoals met de meeste Chinese dissidenten: ze worden geraakt in de achillespees van hun familie en zo voor een verscheurende keuze gesteld. Wat willen ze bovenal zijn? Bevlogen redders des vaderlands of gebroken vaders, zonen en echtgenoten?