Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor De ondergrondse spoorweg

De ondergrondse spoorweg

In zijn meesterlijke nieuwe roman, ‘De Ondergrondse Spoorweg’, herinnert Colson Whitehead er ons aan dat de verschrikkingen van de slavernij het sediment zijn waarop de VS is gebouwd. ‘Er wordt vooruitgang geboekt, maar het gaat tergend traag. Racisme bestaat in honderd tinten, die alleen op het eerste gezicht van elkaar verschillen’.

2016 is hét doorbraakjaar van de Afro-Amerikaanse schrijver Colson Whitehead (47) geworden: vier maanden voor de verschijning van ‘De Ondergrondse Spoorweg’, selecteerde Oprah Winfrey het werk al voor haar Book Club. VS-president Barack Obama nam het tijdens de zomer mee op vakantie en ook in het najaar regende het prijzen, culminerend in de National Book Award.

De eerste 200.000 exemplaren van Whitehead’s zesde roman zijn al de deur uit, er verschijnen tal van vertalingen en de auteur is dezer dagen een graag geziene gast op festivals en in radio- en tv-talkshows.

Nooit eerder kreeg Whitehead zoveel applaus. Over ‘De John Henry Jaren’ (2004, Ned. Vertaling) schreef sterauteur Jonathan Franzen in de New York Times dat het boek ‘niet bepaald leest als een trein’, en dat Whitehead’s verhalen het werk leken ‘van iemand die 2 dollar per woord krijgt’.

Ook bij ons wordt zijn vroeger werk niet stukgelezen: toen ik een paar van Whitehead’s romans in de Brusselse bib ging halen, stonden ze niet in de rekken. Ze moesten worden opgevist uit het depot, ‘omdat er doorgaans geen kat naar vraagt’.

Het succes van ‘De Ondergrondse Spoorweg’ is evenwel verdiend. Het is een ware pageturner die inzoomt op het bij ons weinig bekende geheime netwerk waarmee ontsnapte slaven in de periode voor de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) van de Zuidelijke naar de Noordelijke staten of zelfs naar Canada werden gesmokkeld. Naar schatting 80.000 à 100.000 zwarten konden via deze cluster van onderduikadressen en sluipwegen aan de slavernij ontkomen. Whitehead verwerkt dat historische gegeven tot een magistrale magisch realistisch roman: de spoorweg wordt een echte lijn, met heuse machinisten en goed verstopte perrons.

Het verhaal begint op een katoenplantage in Georgia, waar twee broers hun slaven aan tal van beproevingen onderwerpen. Hoofdpersonage is de 16-jarige Cora, de enige nazaat van een vrouw die jaren geleden is gevlucht. Als de situatie op het landgoed nog verslechtert, besluit het meisje met haar vriend Caesar te ontsnappen. De ondergrondse spoorweg brengt hen in tal van staten, waarmee de auteur de verschillende schakeringen van racisme laat zien. Eerst verblijven ze een tijd in South-Carolina, een ogenschijnlijke liberale regio, waar de overheid evenwel een sterilisatieprogramma heeft opgezet voor zwarte vrouwen. Vandaar gaat het naar North-Carolina, waar Afro-Amerikanen als weekendvertier worden gelyncht en eindigen aan bomen langs de zogenaamde Freedom Trail. Bovendien wordt Cora op de hielen gezeten door premiejager Ridgeway, wiens medestander als versiering een ketting van afgesneden oren draagt.

Films als ’12 Years a Slave’ en ‘Django Unchained’ geven aan hoe groot de (internationale) belangstelling voor de Amerikaanse slavernij is, en het lijkt een voor de hand liggend thema voor een Afro-Amerikaanse schrijver. Maar wie Whitehead’s eerdere romans las, kan zich nauwelijks voorstellen dat deze postmoderne, cynische New Yorker zich waagt aan een Hut-van-Oom-Tom-voor-volwassenen en in staat is om ironie en bijtende humor in te ruilen voor een radicaal andere toon.

‘Ach, ik begrijp wat je bedoelt’, zegt hij schouderophalend, ‘al vormt dit boek wat mij betreft geen breuk met de voorgaande. Telkens weer gaat het om een exploratie van geschiedenis, identiteit en ras. In een ander register, weliswaar, maar dat wordt bepaald door het verhaal zelf. Je moet als schrijver elke keer een nieuwe, geschikte stem vinden. Alleen als het timbre klopt, blijft het boek overeind. ‘De Ondergrondse Spoorweg’ liet zich gewoon niet ironisch vertellen, daarvoor was de gruwel waaraan mijn voorvaderen werden onderworpen te groot.

‘Het idee voor dit boek dateert al van bij het inleveren van ‘De John Henry Jaren’ waarin de negentiende eeuwse Afro-Amerikaanse volksheld John Henry tegenover de hedendaagse parasiterende journalist J Sutter werd gesteld. En toch moest ik eerst nog een ommetje maken langs vijf andere boeken. Ik was er niet klaar voor. Ik moest een beter schrijver worden, om het aan te durven. Een wijzer man ook. Ouder, bezadigder.

‘Bovendien wist ik dat het schrijven van ‘De Ondergrondse Spoorweg’ een ware beproeving zou worden, dat ik fundamenteel bereid moest zijn om af te dalen in de kerkers van de menselijke wanhoop. Alleen op die manier zou ik recht kunnen doen aan zoveel lijden. Kijk, als ik in het eerste hoofdstuk een tienermeisje neerzet dat besluit te ontsnappen, dan kan ik het seksueel misbruik dat aan haar vlucht voorafging, niet verzwijgen. Lees er de orale geschiedenissen van ex-slaven op na die in de jaren dertig werden opgetekend door de schrijvers van de Federal Writers Project: letterlijk elk jong zwart meisje werd verkracht, het leek bij de intrede van de menstruatie en het krijgen van borsten te horen’.

Waren de orale geschiedenissen van ex-slaven uw belangrijkste inspiratiebron?

‘Ik had als kind, en later als tiener, uiteraard tal van verhalen en films over slavernij gelezen en gezien. ‘Roots’ bijvoorbeeld herinner ik me nog van toen ik acht was. Maar mijn perspectief is veranderd, ik ben niet meer de student die meeleeft met de drama’s die Harriet Ann Jacobs beschrijft in haar autobiografische ‘Incidents in the Life of a Slave Girl’. Ondertussen heb ik zelf een dochter van twaalf en stel ik me voor wat het is om machteloos toe te zien hoe je kind wordt vermoord.

‘Toen ik in 2014 besloot om dit boek te schrijven, heb ik vier maanden lang research gedaan. Om me het ritme van de taal en de leefwereld van mensen als Cora eigen te maken, om het verschil te zien tussen kleine en grote plantages, maar meer nog om erachter te komen hoe de horror zich vervoegt. En ik stelde vast dat de historische waarheid veel gruwelijker is dan we willen geloven’.

In 2014 was het politiegeweld tegen Afro-Amerikanen veelvuldig voorpaginanieuws. Hebben Michael Brown’s dood in Ferguson of de Black Lives Matter beweging een invloed gehad op uw beslissing om dit boek te schrijven?

‘Neen, helemaal niet. Het verhaal van Brown en alle anderen die werden doodgeschoten, terwijl de schuldige agenten vrijuit gingen, is volstrekt niet nieuw. Die waarheid heb ik heel vroeg onder ogen leren zien, toen ik in de jaren tachtig in Manhattan opgroeide. Toegegeven, ik kwam uit een gegoed milieu en zat, zoals ik in ‘Sag Harbor’ (2009, Ned. vertaling) ook beschrijf, op blanke privéscholen. Maar dat maakt niet uit. Je wist dat je vogelvrij was, van zodra je de deur uitkwam.

‘Het enige wat is veranderd, is de registratie van die realiteit: technologische mogelijkheden maakten het makkelijker om bewijs te verzamelen en het internet zorgde voor netwerken van drukkingsgroepen en journalisten die vlot met elkaar kunnen communiceren. Het statistiekje wordt daardoor beter bijgehouden, het is bij meer mensen bekend.

‘Periodiek leidt dat tot een conversatie over het onderwerp. Dezelfde conversatie, die altijd weer wegzakt zonder dat er fundamentele verandering komt. Als puntje bij paaltje komt, zijn we niet bereid om de oorzaken aan te pakken. Het racisme is te diep geworteld, te wijd verspreid. Het bestaat in honderd tinten, die alleen op het eerste gezicht van elkaar verschillen. Dat maakt het zo hardnekkig’.

Het feit dat de Ondergrondse Spoorweg in november werd bekroond met de National Book Award, geeft toch aan dat de bereidheid groeit om het maatschappelijke debat te voeren?

‘Het doet me ontzettend veel plezier dat zoveel mensen het boek lezen en erdoor worden geraakt, dat heeft me enigszins verwonderd. Maar ik stel tegelijk vast dat bepaalde vragen tijdens elke ontmoeting met lezers terugkeren. Mensen zijn geschokt door het wedervaren van Cora, Caesar en hun vrienden maar vragen of ik de feiten niet heb aangedikt om effect te genereren. Het jaagt me op de kast. Je moet weten dat ik alles heel zorgvuldig heb uitgezocht, de straffen waaraan mijn personages worden onderworpen, hebben wel degelijk een historische grond.

‘Dat ongeloof geeft aan hoe weinig we weten en hoe selectief onze herinnering is. Deels komt dat door het onderwijs. Lees de Amerikaanse schoolboeken: je krijgt veel Abraham Lincoln en weinig slavenrealiteit, grote verhalen over Martin Luther King en de progressieve blanken die hem steunden, maar er is amper aandacht voor de concrete invulling van de segregatie of wat het doet met je zelfbeeld. Maar wat wil je: de inhoud van het Amerikaanse onderwijs wordt voor het leeuwendeel bepaald door een conservatief, blank, racistisch establishment.

‘Bovendien kan je het ook op een persoonlijker niveau bekijken: wie heeft zin om eraan te worden herinnerd dat zijn overgrootvader’s fortuin stoelt op slavenbloed en onrecht? Een verhaal over volharding, pioniersmentaliteit, geniale ondernemingszin en veel zakelijk vernuft is geruststellender als verklaring voor blanke welvaart, toch?’

U schetst een erg statisch beeld van de rassenverhoudingen, ziet u dan geen fundamentele vooruitgang?

‘Je kan niet ontkennen dat er voor mijn kinderen van twaalf en drie nu meer Afro-Amerikaanse rolmodellen zijn dan voor mij destijds: schrijvers, kunstenaars, activisten, acteurs, regisseurs en muzikanten. Nooit eerder waren er zoveel mogelijkheden en ging er zoveel geld om in de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Bovendien hadden ze de Obama’s, dat kan tellen als referentiepunt: onze president ziet eruit als ik.

‘Als kind had ik me nooit kunnen voorstellen dat zoiets mogelijk was. Ik was al blij met het verhaal van John Henry. Mijn fascinatie voor die mythische spoorwegarbeider uit het midden van de negentiende eeuw was grenzeloos. Hoe kon een Afro-Amerikaan de strijd aangaan met een machine, en het pleit winnen? Ok, hij haalde de volgende ochtend niet, maar dat maakte zijn verdienste haast nog groter, hij werd een tragische held.

‘Wat mij fundamenteel frustreert, is dat de vooruitgang zo traag is, en de weeromstuit gigantisch. Waarom denk je dat we nu veroordeeld zijn tot een president die erger is dan een personage uit een slechte komedie? Acht jaar lang heeft blank, reactionair Amerika zich de vingernagels afgeknaagd bij de gedachte dat een zwarte man ons land bestuurde. Dat standpunt is volstrekt niet geëvolueerd, er is geen meter terreinwinst geboekt. Integendeel: dit is het uur van de wraak. De afranseling van links, progressief Amerika door een racistische en seksistische onderstroom’.

Je kon Barack Obama moeilijk een Afro-Amerikaan noemen: hij was het kind van een blanke moeder dat opgroeide bij blanke grootouders. In zijn autobiografie schrijft hij ook dat het Michelle is die hem in Chicago liet kennismaken met de zwarte realiteit en strijd.

(opgewonden). ‘Wat een onzin. Denk je dat geld of opleiding een verschil maakt, dat het racisme minder wordt of dat je anders wordt bejegend door politie en overheidsdiensten? Geenszins. Niet wat jij bent, telt, maar wat de blanke ziet. Herinner je de Jim Crow wetten en de ‘one drop rule’: één druppel zwart bloed maakt je zwart.

‘Weet je, ik werd op een dag tegengehouden toen ik met een bevriende (Afro-Amerikaanse) dokter in zijn auto zat. Het voertuig had een MD (medical doctor,nvdr)-nummerplaat. De agent die onze papieren controleerde, was ervan overtuigd dat we de auto gestolen hadden. Hij excuseerde zich uiteindelijk en zei dat hij nog nooit een zwarte arts gezien’.

Had u de kieszege van Trump zien aankomen?

‘Ja en neen. Zijn overwinning bevestigt een deelaspect van de Amerikaanse maatschappij, maar vergeet niet dat Hillary 2,5 miljoen stemmen méér haalde. Daar kopen we niets voor, maar het moet ons moed verschaffen.

‘Ik geef toe dat ik me ontredderd voelde toen het nieuws bekend raakte, en dat Trump me nog steeds slapeloze nachten bezorgt. Ik zie mijn eigen angst in de ogen van veel mensen. Sommigen houden zich sterk met de bewering dat we Nixon en Reagan ook hebben overleefd, maar ook dat ging niet zonder kleerscheuren. Vier jaar lang onze adem inhouden, dat lijkt me moeilijk. Er wacht ons een gemene tijd’.

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor De Omerta van Europa

De Omerta van Europa

Sinterklaasbaarden, sandalen, boerka’s en een alziend Apparaat. De Algerijnse schrijver Boualem Sansal (67) fantaseert in zijn dystopie ‘2084’ over de talibanisering van de wereld. ’20 jaar geleden geloofde ik dat de religieuze waanzin zou overwaaien, die mening heb ik moeten herzien’.

‘2084’ is het verhaal van Abistan, de wereld zoals die er sinds de atoomexplosie en de Grote heilige oorlog uitziet: ellendig, wreedaardig en ontdaan van schoonheid, kennis en geschiedenis. Yölah en zijn profeet Abi zijn het alfa en omega van een door het Apparaat en de Rechtvaardige Broederschap bestierd universum. Hoofdpersonage Ati is een vroegoude dertiger met rotte tanden die droomt van de vrijheid voorbij de vooralsnog onvindbare grens.

Met ‘2084’ is Boualem Sansal uitgegroeid tot een internationaal gelauwerde succes-auteur die zich van literair festival naar boekenbeurs haast en die vaker op de luchthaven is dan thuis in Algerije. Sinds het werk werd bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française 2015 en door het Franse blad Lire werd uitgeroepen tot beste boek van het jaar, werden er in Frankrijk alleen al 400.000 exemplaren van verkocht. En ondertussen regent het vertalingen.

Sansal verbaast er zich enigszins over. In de eerste halve eeuw van zijn leven was hij een scheikundige die leerboeken over turboreactoren op zijn naam had. Hij werkte voor de overheid en schreef een doctoraat over industriële economie.

Het is de Algerijnse burgeroorlog (1991-2002) die van hem een schrijver maakte. Immers, hij kon de akelige transformatie van zijn vaderland niet verklaren vanuit zijn kennis als ingenieur en econoom. Vanwaar die plotselinge irrationaliteit, hoe kon het dat de waanzin zich zo had verbreid?

Sinds hij in 1999 debuteerde met het misdaadverhaal ‘Le Serment des barbares’, schreef Sansal 6 veelvuldig bekroonde romans en verschillende bundels van essays en kortverhalen. Centraal in zijn werk staat een vlijmscherpe ironische analyse van de recente Algerijnse geschiedenis, van het corrupte opportunisme van de elite, de groeiende maatschappelijke intolerantie en de bittere misère van de gewone burger.

Tot aan de uitreiking van de Duitse Vredesprijs (2011) waren Sansals boeken in Algerije verboden. Dat ze nu vrij verkrijgbaar zijn, komt volgens hem alleen door zijn internationale status en door westerse druk.

Net als uw landgenoot Kamel Daoud, haakt u met 2084 aan bij een klassieker. Antwoordde Daoud op ‘De vreemdeling’ van Albert Camus, dan bouwt u voort op ‘1984’ van George Orwell.

‘Ik vind dat Orwell het totalitaire systeem -het stalinisme, in zijn geval – het best heeft uitgelegd, of tenminste toch hoe het functioneert. Ik heb het boek tal van keren gelezen, voor het eerst toen ik 16, 17 was, en opnieuw als twintiger en als dertiger. Op het moment dat ik besloot om de door de islamisten geregeerde wereld te beschrijven, ging ik op zoek naar een model. Alle grote dystopieën uit de literatuur heb ik herlezen. ‘De Toverberg’ van Thomas Mann, Ray Bradbury’s ‘Fahrenheit 451′, Huxley’s ‘Heerlijke Nieuwe Wereld’,.. Het meest plausibele, rationele vond ik toch 1984′.

Het totalitaire karakter van het islamisme houdt u al langer bezig. In ‘Onvoltooide geschiedenis’ (2011), heeft een van de hoofdpersonages, Malrich, het over de de gelijkenissen tussen het nazisme en het islamisme.

‘Kijk naar de indoctrinatie van de burgers, de geschiedvervalsing, het ophemelen van het eigen volk, de gemilitariseerde eenpartijstaat, het simplistische wereldbeeld, de neiging tot slachtofferschap, het complotdenken, de helden- en martelarencultus, de verwerping van alle intellectuele dissidentie en de justificatie van het geweld. Het zijn allemaal sleutelelementen van zowel het fascisme als het islamisme. Wat mij verwondert, is dat niemand anders die link legt’.

Eén van de verhaallijnen in 2084 betreft de ontdekking van een archeologische vindplaats die van voor de Heilige Oorlog dateert. ‘De ontdekking ervan’, schrijft u ‘heeft binnen het Apparaat en, naar wordt aangenomen, ook bij de Rechtvaardige Broederschap voor ongewone onrust gezorgd.’

‘Zo gaat het bij Daesh of de Taliban inderdaad. Kijk naar de verwoestingen van Palmyra of Bamiyan. Als ze konden hadden de islamisten zelfs de piramiden neergehaald. De historische, esthetische verwezenlijkingen van de mens doordringen hen met schaamte en verwondering. Ik heb het in Algerije, dat zo ongeveer meer Romeinse overblijfselen heeft dan Italië, ook vaak gezien. Het regime noch de burgers zijn trots op die sites, ze claimen ze niet als de eigen erfenis maar zetten ze weg als vreemde toevoeging. Je kan hen niet aan het verstand brengen dat alleen de heersers Romeinse inwijkelingen waren, maar dat onze voorvaderen op die plaatsen leefden.

‘Datzelfde geldt ook voor drie eeuwen van christelijke beschaving in Algerije, ze wordt als uitheems afgedaan en daarom doodgezwegen’.

‘Om de mensen te laten geloven en zich vertwijfeld aan hun geloof te laten vastklampen’, schrijft u, ‘heb je oorlog, een echte oorlog nodig, die veel doden kost en nooit ophoudt, een vijand die je niet ziet of die je overal en toch nergens ziet’.

‘Diffuse externe vijanden zijn het uitgelezen controlemechanisme van alle totalitaire systemen. Wat zouden de USSR en China gedaan hebben zonder het zogenaamde ‘imperialisme’, dat handige fenomeen waar je niet meteen een leider of land op kon plakken? Daar valt gigantisch mee te mobiliseren, je bouwt er complottheorieën mee waar de halve bevolking in gelooft. En het stelt je ook in staat om probleemloos alle tegenstanders uit de weg te ruimen, dat zijn immers agenten van die onzichtbare vijand.

‘Wat je niet ziet, kan je naar eigen goeddunken invullen: in de Arabische wereld is die vijand nu ‘het Westen’ of ‘de geperverteerde blanke’.

Behalve op oorlog en geweld steunt het islamisme volgens u ook op ‘de buitengewone macht van de taal, de nieuwspraak, een in het laboratorium bedachte taal die de macht had bij de spreker de eigen wil en nieuwsgierigheid uit te schakelen’. Daar belandt u letterlijk bij 1984, het ministerie van de Waarheid en zijn officiële partijslogans: oorlog is vrede, vrijheid is slavernij en onwetendheid is kracht.

‘ Taal is met voorsprong de meest efficiënte manier om een cultuur te ondermijnen. Je kan mensen terugbrengen naar een vocabulaire van 300 woorden, waarmee alle primaire handelingen kunnen worden uitgedrukt. Daar voorbij liggen de concepten, de kritische vragen, het waarom van de dingen. Als je vragen leert en laat stellen, dan open je de weg naar de opstand.

‘Het kan erg snel, één generatie is genoeg. Ik zie het in de verpauperde milieus van de Arabische wereld. De rijken weten zich beschermd door buitenlandse paspoorten en residenties, terwijl het gewone volk aan het islamisme is uitgeleverd. De Algerijnse president Abdelaziz Bouteflika en de Marokkaanse koning Mohammed VI hebben het allebei op een akkoordje gegooid met de islamisten. De formele macht (en het grote graaien) bleven behouden, maar de islamisten gaan hun gang.

‘In Irak en Syrië regeert Daesh over een kalifaat dat anderhalve keer Frankrijk beslaat. In geen tijd werd een nieuw volk gecreëerd, uit burgers die nochtans taal noch geschiedenis delen.

Ik ben ook naar de Franse voorsteden geweest op onderzoek. Er waren plekken waar in één jaar tijd een mini-kalifaat ontstond, compleet met kledingvoorschriften en een permanente concentratie op de partizanen-actualiteit. Onthutsend, toch?’

Als we de verhalen van de vluchtelingen uit Mosul horen, dan waren de burgers toch niet meteen enthousiast over hun nieuwe leiders. Zij zeiden vooral te hopen dat een militaire interventie niet lang op zich zou laten wachten.

‘Dat kan maar ik ben er echt van overtuigd dat het islamisme niet op zijn terugweg is. Wat dat betreft, heb ik mijn mening herzien. Als je me deze vraag 20 jaar geleden zou hebben gesteld, dan had ik je gegarandeerd dat het slechts een bevlieging was. Na enige maanden, een jaar hooguit zou het volk wel inzien dat de islamisten hun beloftes niet konden waarmaken.

‘Ondertussen zijn we een burgeroorlog, 200.000 doden en een moreel verwoest land verder. Wat zich vanaf het begin van de jaren negentig in Algerije afspeelde, herhaalde zich op een dozijn andere plekken en we zijn verder van huis dan ooit.

‘Dit islamisme is 14 eeuwen geleden begonnen. De opkomst van Europa heeft dat proces zeven eeuwen geleden vertraagd, bevroren zelfs. Maar sinds de dekolonisatie is het aan een nieuwe opmars begonnen. Kijk naar de nostalgie die wordt gepredikt, de snoeverij over alles wat de Arabische wereld heeft uitgevonden, van de algebra over de watermolen tot de landbouw en de koffie. Alles is van ons, dat is het credo, we moeten nu terugvorderen wat de westerse kolonisatie ons ontnam’.

Zo klinkt het haast alsof de eeuwen van westers plunderen en onderdrukken een positief fenomeen waren..

‘Neen, het is een historische werkelijkheid, waarbij het christendom een gigantische kracht had, die zich militair en commercieel verbreidde, en die leidde tot een ontzettende veroveringsdrang.

‘Bovendien kan je het ook omdraaien. Ik ben ervan overtuigd dat als de ontwikkeling van de islam niet zou zijn gedwarsboomd, we nu niet meer zouden opgescheept zijn met een mens- en wereldbeeld uit de 12de eeuw. De islam zou dezelfde evolutie hebben doorgemaakt als het christendom in het Westen. Er zou zich een vorm van Verlichting hebben opgedrongen en de religie zou, net zoals in Europa, zijn teruggedrongen naar de persoonlijke sfeer, waar niemand er nog last van zou hebben’.

Gelooft u echt dat Abistan ons wacht?

‘Dat wisselt. Wat me somber stemt, is het algehele uitblijven van reactie. Europa zit in een kramp van terugtrekking. Wie zijn mond durft open te doen, krijgt meteen het verwijt dat hij islamofoob is.

‘Als ik zie dat mensen ageren, stemt dat me hoopvol. Neem de Egyptische president Abdul Fatah al-Sisi – een moslimstaatshoofd notabene. Tijdens zijn nieuwjaarstoespraak benadrukte hij de nood aan een verlichte, tolerante islam, dat vind ik een gunstig teken’.

Wel een uitspraak van een dictator met flink wat bloed aan zijn handen.

‘Absoluut. Ik zou dergelijke stellingen liever horen uit de mond van de democraten, maar die zwijgen. Ze willen de emir van Qatar en de koning van Saoedi-Arabië niet boos maken, ze zien de brandende auto’s in de banlieus al voor zich. Europa is in de greep van een omerta. In dat opzicht is het de objectieve bondgenoot van Daesh’.

Dat zal extreem-rechts u graag horen zeggen.

‘Ja, maar het is anders als ik het zeg. Ik beweer het als een in Algerije wonende Algerijn, iemand die die realiteit van binnenuit kent. Bovendien, en daar hadden we het al over, Daesh en extreemrechts lijken juist op elkaar, beide hangen een fascistisch gedachtengoed aan’.

Bent u het dan eens met mensen als de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Soyinka, die een paar weken geleden nog zei dat de fysieke uitschakeling van de islamisten de enige oplossing is? Voor hem hebben leden van bijvoorbeeld Boko Haram het recht verloren om als mensen te worden behandeld.

‘Neen, volstrekt niet. We hebben nooit het recht om te doden. Zelfs de grootste moordenaar verdient een eerlijk proces. Hij heeft recht op een verdediging, op het vermoeden van de onschuld en op de erkenning van eventuele verzachtende omstandigheden. Dat is het fundament van de beschaving.

‘Wel heeft die beschaving het recht om oorlog te voeren om haar eigen voortbestaan te vrijwaren. Oorlog kent regels, wie zich aan misdaden tegen de mensheid schuldig maakt, riskeert in het beklaagdenbankje te belanden van het Internationaal Strafhof’.

Wat moeten we volgens u doen om niet in Abistan te belanden?

‘Praten, studeren, overleggen wat we kunnen doen, dingen uitproberen. Dat doen we toch ook met kwesties als jeugdwerkloosheid, milieuvervuiling, abortus of euthanasie? Wat ik niet begrijp is waarom we over alle problemen vrijelijk kunnen discussiëren, maar niet over islam of islamisme?’

Wat vond u van de boerkini-rel in Frankrijk?

‘De lokale besturen hebben zichzelf daarmee in de voet geschoten. Je kan dergelijke problemen beter via informatie en sensibilisering oplossen, niet met verordeningen en wetten. Immers, eenmaal die zijn goedgekeurd, kan je niet meer terug zonder de rechtstaat voor schut te zetten.

‘De Fransen hebben de neiging om overal wetten voor te maken, zonder zich af te vragen hoe ze de naleving ervan zullen afdwingen. Dat is erg nefast. Weet je welk land als eerste ter wereld een wettelijk verbod op de hoofddoek afkondigde? Algerije, in 1990. Vanaf dag één was duidelijk dat de naleving van de wet nooit zou kunnen worden afgedwongen, de strijd was bij voorbaat verloren. Sterker nog, het was koren op de molen van de islamisten.

‘In onze benadering van boerkini’s of ambtenaren met hoofddoeken moeten we veel meer aandacht besteden aan de motivatie ervan. Betreft het een individuele keuze of is het een manoeuvre van een militant, een strategie om opstootjes te veroorzaken en de eigen gemeenschap te versterken? In het eerste geval zijn souplesse, overreding en pragmatiek aangewezen, in het tweede moeten de veiligheidsdiensten worden ingeschakeld. Militante organisaties dienen strikt in de gaten te worden gehouden’.

Moet de hoofddoek dan bijvoorbeeld ook kunnen op middelbare scholen? Veel moslimmeisjes vinden het verbod een aanslag op hun rechten.

‘Neen, volstrekt niet. Scholen zijn heilige bastions van neutraliteit. Daar mag simpelweg geen plaats zijn voor godsdienst, evenmin als voor drugs of pedofielen. Jongeren zijn immers fragiel en beïnvloedbaar, ze moeten worden beschermd’.

2084 is ook in Algerije verkrijgbaar. Hoe zijn de reacties daar?

‘Gemengd, uiteraard. Door sommigen word ik verketterd als islamofoob. Dat maakt me bang, ja, maar angst mag je niet afhouden van wat je moet doen. Ik heb de keuze gemaakt om vrij te schrijven en zal dat blijven doen. Weet je, ik heb ooit 18 maanden in het gips gelegen na een ernstig auto-ongeval. In de twee jaar na de revalidatie brak het angstzweet me uit zo gauw ik in de auto moest stappen. Maar ondertussen rijd ik opnieuw. Een mens kan zijn angst wel degelijk overwinnen.

‘Dat het leven risico’s inhoudt, is een onveranderlijk gegeven. De mijne vallen eigenlijk nog mee, toch als ik ze vergelijk met die van de inwoners van Mosul. Hoe kom je daar als ongewapende burger de dag door?’

Sommigen geloven niet dat Abistan wacht maar vrezen wel voor een extreemsrechtse machtsgreep. De Belgische schrijver Fikry El Azzouzi zei onlangs nog in een interview dat hij vreesde dat extreemrechts ‘de islam zal verbieden, de moslims zal verdrijven en mensen zal dwingen zich te bekeren’.

‘Ik zie ook in extreemrechts een gigantisch probleem. In Frankrijk, België, Duitsland,.. om van Oost-Europa nog helemaal te zwijgen. En dan valt me op dat er wel deradicaliseringsprogramma’s zijn voor islamisten, maar niet voor extreemrechtse lieden. Wanneer doen we daar wat aan?’

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Een bruggenbouwer die zijn land kwijtraakte

Een bruggenbouwer die zijn land kwijtraakte

De Syrische klarinettist Kinan Azmeh (41) behoort tot de meest gevierde virtuozen van dit moment. Met de Chinees-Amerikaanse componist en cellist Yo Yo Ma, de Chinese pipaspeelster Wu Man en de Iraanse kamancheh-speler Kayhan Kalhor vormt hij de kern van het Silk Road Ensemble, dat vorige maand met ‘Sing me Home’ een Grammy Award won.

Officieel woont de muzikant in Brooklyn, maar hij is al een jaar of tien haast permanent op reis. Azmeh concerteert in de beste zalen ter wereld, componeert muziek voor (kamer)orkesten, films en dansvoorstellingen en heeft tien albums en vijf ensembles op zijn naam. Als kunstenaar is hij een bruggenbouwer, een man die jazz met klassiek en oosterse weemoed versmelt en die je garandeert dat ‘Mozart een Syriër had kunnen zijn’.

Hij ziet de wereld als één groot artistiek speelplein, er zijn geen schotten tussen muzikale tradities, alleen goede en slechte muzikanten. ‘Zo is het altijd al geweest. Ik weet nog dat mijn ouders vele jaren geleden van een reis naar Hongarije thuiskwamen met de platen van twee klarinettisten, Bela Kovacs en Ernő Kállai Kiss. Een klassieke meester versus een man met een weergaloos zigeunerrepertoire. Ze klonken me allebei meteen vertrouwd in de oren. Het gaat immers om wat een artiest wil zeggen en hoe goed hij daarin slaagt, ongeacht het medium of de traditie waarin hij werkt’.

Precies om die reden heeft Azmeh een hekel aan de term ‘westerse’ klassieke muziek. ‘Pure muzikale tradities’ zijn een verzinsel, er zijn altijd veel meer invloeden dat je aanvankelijk zou denken. En kijk naar mij, een Syrische klarinettist. Mijn instrument ontstond in de driehoek tussen Frankrijk, Duitsland en Rusland en was tot voor de twintigste eeuw in de Arabische wereld onbekend. Om god weet welke reden kende de klarinet veel succes in de Balkan en in Armenië maar ze kwam nooit voorbij het zuiden van Turkije. En toch is die houtblazer mijn expressiemiddel bij uitstek geworden en doe ik er allerhande zogenaamd ‘niet-westerse’ dingen mee’.

Dat Azmeh uitgerekend dit instrument leerde bespelen, heeft met zijn linkshandigheid te maken. ‘Mijn ouders, een ingenieur en een oncologe, hielden veel van muziek en vonden dat hun twee kinderen een instrument moesten leren spelen. Dat hoorde bij wat zij ‘een goede opvoeding’ noemden. Als jongetje van zes had ik de keuze tussen piano en viool. Ik associeerde muziek toen ook al met reizen, piano leek me daarom niet handig. Alleen was mijn rechterhand niet behendig met de vioolstok.

‘Mijn vader nam dat heel ernstig. Hij heeft de kwestie toen schriftelijk voorgelegd aan de redactie van de Encyclopedia Brittanica, zo ging dat in die pre-internettijden. ‘Uw zoon zou de viool in theorie ook linkshandig kunnen bespelen’, zo luidde het keurige antwoord een paar weken later, ‘maar elke deelname aan een orkest moet daarbij worden uitgesloten. Het kind zou andere muzikanten immers kunnen verwonden met zijn vioolstok. Een andere optie bestaat erin te kiezen voor een neutraal instrument, zoals de klarinet bijvoorbeeld’.

Verlegen jongetje

Azmeh herinnert zich zijn jeugd als een zorgeloze tijd. ‘Als jong kind was ik erg introvert, de leraars vonden het zorgelijk dat ik altijd alleen in een hoekje van de speelplaats stond. In die jaren was mijn instrument mijn beste vriend. Maar tegen de tijd dat ik dertien was, had ik een ware transformatie ondergaan. Zou het door de groeispurt komen, door het feit dat ik begon te tennissen en ook nog tot tweemaal toe het hoofdstedelijke toernooi won? Joost mag het weten, maar ik geloof wel dat ik daar zelfvertrouwen door kreeg en concludeerde dat het loont om je in te spannen. Wie hard werkt, slaagt in wat hij wil doen, dat geloof ik nog steeds’.

Aangemoedigd door zijn ouders besluit de jonge Azmeh een beurs aan te vragen voor een buitenlandse muziekstage tijdens de zomer. ‘Het lukte, ik was 16 en kon naar Boston en New York. Twee dingen herinner ik me van die reis: dat de Amerikaanse natuur veel groener is dan de onze, en dat New York over een merkwaardig eigen geluid beschikt, een permanent bruisen dat je opmerkt van zodra je ’s ochtends de ogen opent.

‘Die eerste keer Amerika bezorgde me geen cultuurschok. Mijn ouders namen mijn zusje en ik immers wel vaker mee naar het buitenland op vakantie. Ze wilden dat we ook de niet-Arabische wereld leerden kennen.

‘We kregen een liberale opvoeding, thuis bestonden er geen religieuze of politieke taboes. Verschilden we daarin van andere gezinnen? Niet persé, Damascus was fundamenteel erg divers. Binnen de meeste families had je evengoed vrome gelovigen als overtuigd seculiere mensen. Je leerde sociaal flexibel te zijn, en je gedrag aan te passen aan de context. Dat gaat over kleine, alledaagse dingen. Zo hielden wij ons niet aan de ramadan, maar daarom hoefden we onze broodjes toch niet voor de ogen van de vastenden op te eten? Door een ander te respecteren, doe je jezelf geen geweld aan, wel integendeel’.

Na de middelbare school wilde Azmeh twee heel verschillende kanten op. Zijn liefde voor fysica dreef hem naar een studie elektronisch ingenieur aan de universiteit van Damascus, zijn klarinet deed hem dromen van een toekomst als muzikant. ‘Ik wilde die twee het liefst combineren, en dus vroeg ik na mijn afstuderen nog een studiebeurs aan voor MIT, in Boston’.

Het feit dat hij op zijn 22ste de eerste Arabische muzikant was die in Moskou de Internationale Competitie Nikolaï Rubinstein won, gaf de jonge klarinettist vleugels. Hij kon naar de Newyorkse Juillard School voor Drama, Dans en Muziek, waar hij eerst een master en later ook nog een doctoraat haalde.

‘Ik woon nu onderhand 16 jaar in de VS en toch was het nooit de bedoeling om mij daar te vestigen. Tot op heden vind ik dat geen aanvaardbare gedachte. Je kan niet zomaar een streep trekken onder je verleden, je identiteit. Wie ben ik nog, als ik die verlies? Ik heb altijd geprobeerd om zo vaak mogelijk te werken in Libanon, Jordanië en Syrië. Dat is thuiskomen, een mens heeft zijn eigen land, cultuur, taal, eten en vertrouwde omgeving nodig.

‘Tegen eind 2010 was ik klaar voor de definitieve terugkeer naar Damascus. De talrijke internationale concerten hadden me in staat gesteld om geld opzij te leggen, waarmee ik een erg bescheiden appartement in de oude binnenstad van Damascus kocht. Anderhalve kamer, zoiets, en helemaal te renoveren’.

Een paar maanden voor het begin van de Syrische revolutie vertrekt Azmeh naar Damascus. ‘Als ik er nu aan terugdenk, dan lijkt het een macabere grap. Ik zie mezelf nog muren schilderen, nieuwe electriciteitsleidingen leggen, mijn eigen kleine woonst opknappen. En toen begon het. De demonstraties, het geweld, de verdwijningen. Veel van mijn vrienden vertrokken, maar ik was niet bereid om mijn biezen te pakken. Ik wilde geloven dat er gauw een einde aan zou komen, dat wat in Tunesië en Egypte mogelijk was gebleken, ook bij ons stond te gebeuren. Tegen het einde van 2011 was die hoop vervlogen.

Ik was in juli 2012 voor het laatst in Damascus. Besefte ik dat toen? Uiteraard niet. Ik kan het nog steeds niet bevatten en weet niet of dat ooit anders zal zijn. Er is maar één thuis, mentaal kan je die niet opgeven. Dat is ook de reden waarom mijn ouders gebleven zijn. Ze hebben de voorbije jaren tussen Damascus en New York gependeld. Een paar maanden daar, enige tijd bij mij, een aantal weken bij mijn zusje, die onderhand ook in de VS woont.

‘De verkiezing van VS-president Donald Trump dreigt dat nu allemaal flink moeilijker te maken. Zijn eerste verbod hield zelfs in dat green card-houders als ikzelf het land niet meer in mochten. Na 48 uur is dat veranderd, maar even leek het alsof mijn hele leven op losse schroeven stond. Ik bevond me in Europa toen het verbod werd uitgevaardigd en dacht meteen aan mijn collectie instrumenten in Brooklyn. Zou ik die ooit terugzien? Maar meteen dwing je jezelf dan om ook dat te relativeren. In vergelijking met wat mijn land overkomt, is dit natuurlijk peanuts’.

‘Mensen vragen me vaak of de oorlog mijn muziek heeft veranderd. Het is veel meer dan dat. De omvang van wat er sinds maart 2011 is gebeurd, laat zich niet in woorden vatten. De helft van de bevolking is binnenlands ontheemd of de grens over gevlucht, een half miljoen mensen verloor het leven. Dat zijn 500.000 families met wie het nooit meer goed komt. En cijfers zeggen eigenlijk volstrekt niets.

‘Hoe geef je in die context zin aan je eigen kleine leven, dat fundamenteel onbeduidend is? Het is een vraag die me de voorbije jaren vele nachten heeft wakker gehouden. Sommigen zeggen dat kunst een spiegel moet zijn voor de realiteit, anderen geloven dat artistieke creaties een mentale veilige haven dienen te zijn, een plek waar dood, pijn en verdriet niet kunnen komen. Voor mij is muziek de ruimte waarin ik die gevoelens kan uitdrukken die ik me in het dagelijkse leven niet kan permitteren.

‘Toen de revolutie begon, ervaarde ik voorheen onbekende emoties. Een heel jaar lang heb ik geen muziek gecomponeerd. Ik wist niet wat ik moest uitdrukken, kon het allemaal niet rijmen. Gaandeweg zag ik in dat de opstand wortelde in de absolute noodzaak van gewone burgers om zich te uiten. Ik besefte dat ik het geluk had over een taal te beschikken waarin dat ongebreideld kon. Muziek is immers de ultieme uitdrukking van vrijheid. Dat besef gaf me een nieuwe verantwoordelijkheid.

‘In dat opzicht was de revolutie een inspiratiebron. Zoveel mensen vonden plots de moed om de dingen te doen die ze nooit hadden gedurfd – in films, theaterstukken, graphic novels. Alles wat zolang zorgvuldig was opgeborgen, brak door de boeien van de angst heen. Dat is een erg hoopvolle ontwikkeling. In de kunst van de Syriërs die nu over alle continenten zijn uitgewaaierd, zitten de kiemen van de natie van de toekomst. En het is fijn te beseffen dat je zelf een klein stukje bent van die grote puzzel.

‘Maar de oorlog zadelt je als muzikant en kunstenaar ook met een nieuwe uitdaging op. Je gaat je afvragen of mensen van je werk houden omdat je uit dat vervloekte land komt of wegens de intrinsieke kwaliteiten van je werk’.

Azmeh herinnert zich hoe hij jaren geleden in kleine Amerikaanse steden speelde. ‘Het gros van de aanwezigen wist niet waar Syrië lag op de wereldkaart. Nu gaat er bij het uitspreken van de naam van mijn land een huivering door het publiek. Pijnlijk is dat, zelfs al stoelt het op goede bedoelingen. En dus ga je harder werken, om absoluut uit te sluiten dat je succes wortelt in medelijden’.

Velen vragen hem of hij optimistisch is over een spoedig einde van het conflict. Hij zegt dan dat zijn antwoord van dag tot dag verschilt. Niet wegens de gebeurtenissen, maar naargelang zijn eigen gemoedsgesteldheid. ‘Soms zie ik alleen de verwoesting, de mentale scherven, de afgerukte ledematen van kinderen. Hoe kan je vrede bouwen op dat inferno? Op andere momenten ben ik ervan overtuigd dat het einde nabij is en dat dit afschuwelijke verhaal zal eindigen met gerechtigheid. Dan lees ik verhalen over andere oorlogen, en hoe er uiteindelijk genoegdoening kwam, moest komen. Het lijden was te groot geweest om zonder meer te worden opgeborgen. Ik weet het, er zijn ook veel voorbeelden van onrecht dat eeuwig onbestraft bleef, dat verder ging zweren en naar nieuw geweld leidde. Ik kan alleen maar hopen dat ons een ander lot wacht’.

In Brussel komt Azmeh spelen aan de vooravond van de eerste verjaardag van de aanslagen, op een herdenkingsconcert met het Syrian Expat Philharmonic Orchestra. Het 70-koppige gezelschap werd in 2015 opgericht door Raed Jazbeh, een contrabasspeler, die twee jaar eerder in Duitsland aankwam. Hij en alle andere muzikanten die in de EU op betere tijden wachten, zien het als hun morele taak om schoonheid te creëren, als antidotum tegen de culturele destructie die zich momenteel in Syrië voltrekt. ”Jazbeh en het hele orkest vechten op hun manier voor vrede, door datgene te doen waarin ze het best zijn. Daarom vind ik het zo belangrijk om met hen te werken en het doet me veel plezier dat ze een van mijn stukken brengen’.

Doet de aanleiding voor het concert ertoe? Hij vindt van wel. ‘Artistiek moet je je voor een dergelijk event 200 procent geven, vind ik. Uit respect voor de slachtoffers. Bovendien besef je dat er een andere dimensie is, dat je werk daar op dat podium ook een symbolische waarde heeft. Tegelijk wil ik mensen niet verenigd zien in de tragedie. Of beter: dat mag niet het enige zijn dat ons verbindt’.

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Voor de WHO bestaat Taiwan niet

Voor de WHO bestaat Taiwan niet

Tot eind mei waren vertegenwoordigers van 193 landen in Genève aanwezig op de jaarlijkse vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De hele wereld werd uitgenodigd en ‘problematische’ territoria als Palestina kregen een waarnemersstatus. Hoe kan het dan dat de 23 miljoen Taiwanezen in de kou bleven staan?

Jaarvergaderingen van de WHO dienen om internationale uitwisseling te stimuleren aangaande epidemieën, nieuwe technologieën en baanbrekende medicijnen. Rampen als Zika, SARS, Ebola en vogelgriep worden dankzij de hier gecreëerde netwerken sneller en efficiënter bestreden. Hoe is het dan mogelijk dat de enige Chinese democratie, Taiwan, niet welkom is? Hebben haar burgers geen recht op internationale hulp?

Sinds de welvarende eilandnatie begin jaren zeventig haar VN-zetel aan China verloor, doet ze halsstarrige pogingen om internationaal te bestaan. De voorbije 8 jaar had Taiwan een waarnemersstatus bij de WHO, een succesje waar vele jaren van diplomatiek gelobby aan waren vooraf gegaan. Maar sinds Tsai Ing-wen van de pro-onafhankelijkheidspartij DPP in januari 2016 de presidentsverkiezingen won, doet Peking er alles aan om Taiwan weer onzichtbaar te maken en erg moeilijk is dat voor een land dat permanent zetelt in de VN-Veiligheidsraad natuurlijk niet. In september was de eilandnatie aldus niet meer welkom bij de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (ICAO) en twee maanden later gebeurde hetzelfde op de jaarvergadering van Interpol.

Reden? China wil dat president Tsai expliciet het principe erkent van ‘één China’, waar Taiwan (naast Macao en Hongkong) een onvervreemdbaar deel van uitmaakt. Alleen is het enthousiasme daarvoor nooit erg groot geweest en het repressieve Chinese optreden in Hongkong in 2014 versterkte die tendens nog. De jongste peiling geeft aan dat tweederden van de Taiwanese bevolking geen deel wil uitmaken van groter China en onder de jongeren (20-29-jarigen) is dat zelfs 82 procent. En geef ze ongelijk: de Taiwanezen beschikken over persvrijheid, een hoge welvaart, een functionerende democratie en een rechtsstaat. Concepten als aansprakelijkheid, transparantie en respect voor de mensenrechten zijn hier geen dode letter. Voor president Tsai zou het dan toch enigszins vreemd zijn, om tegen de wil van het volk in, beloftes te maken over een toekomstige hereniging?

Alleen wordt daarvoor een hoge prijs betaald. Ik herinner me nog de ontmoeting in Taipei enige tijd geleden met Ho Mei-shang, die tijdens de SARS-epidemie (november 2002-juli 2003) aan het hoofd stond van de epidemologische cel van de Taiwanese overheid. ‘Het had iets van een slechte film’, zei ze, ‘aan de ene kant weet je dat er dagelijks tien- à twintigduizend mensen uit het door de epidemie geteisterde China terugkeren en potentieel besmet zijn. Maar tegelijk kun je voor informatie en overleg geen kant op: met Peking is er geen samenwerking en de WHO geeft onder Chinese druk niet thuis’.

Mevrouw Ho vertelde over de chaos en de paniek die het erg dichtbevolkte Taipei in die dagen in hun greep hadden. ‘Het was een beetje zoals bij een brand, alleen weet je dat de hulpdiensten niet komen en dat je jezelf maar met emmers en helpende buren moet zien te redden’.

Het was met haar persoonlijke netwerk van medische contacten, opgebouwd in zeventien jaar studie en werk in de VS, dat Ho tal van Taiwanese levens kon redden. Haar oude studievrienden, die nu in veel gevallen belangrijke posities bekleden binnen Amerikaanse ministeries en Centra voor Ziektebeheersing (CDC), stuurden alle informatie die zij van de WHO kregen tegen de regels in naar Taipei door. Toch vielen er 78 doden. Indien Taiwan lid was geweest van de WHO, waren dat er wellicht minder.

Wat destijds voor SARS gold, gaat nu al jaren op voor alle mogelijk varianten van vogelgriep. De EU en de VS zijn zich van dit debacle bewust maar kijken de andere kant op. Ze denken aan de Chinese afzetmarkt en huiveren voor de potentiële chantage door Peking. Maar als we mensenrechten, democratie en internationale samenwerking inderdaad zo hoog in het vaandel dragen als we altijd beweren, dan moeten we die principes toch ook toepassen op onze multilaterale relaties? Taiwan kan onze hulp alvast goed gebruiken.

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Zeekomkommer en schildpaddensoep

Zeekomkommer en schildpaddensoep

Onze Oosteuropese buren zijn boos omdat ze minderwaardige producten in hun supermarkt vinden en ze willen dat Europa daar nu wat aan doet. Uit onderzoek is immers gebleken dat de fish sticks van Iglo in Tsjechië 7 procent minder vis bevatten dan die in Duitsland. De Sprite smaakt er minder zoet en kost toch meer en de Nutella is minder smeuïg. Om maar een paar dingen te noemen. De Tsjechische landbouwminister zei dat de regio het beu is om de ‘vuilbak van Europa’ te zijn.

Op de radio werd daar denigrerend over gedaan. De Ochtend-presentator Dennis Van Den Buijs vond dat het ‘allemaal wat banaal klinkt’. Europa heeft heus wel andere katten te geselen. Ik moet het helaas met hem oneens zijn. Wat de man ontgaat, is de symboolwaarde.

De kwaliteit van het eten dat je iemand voorzet of aanbiedt, is een culinaire spiegel van zijn of haar sociale status. In China is dat beginsel zelfs dermate ingeburgerd dat gasten uit de hen geserveerde gerechten afleiden hoe hoog ze worden ingeschat. Op hele chique banketten ontbreken zelden zeekomkommers. Deze blubberige dingen, die zich op de zeebodem voeden met algen, hebben een waterachtige smaak en worden niet zelden onaangeroerd gelaten. Maar ze zijn wel héél duur.

Idem dito met de schildpaddensoep. Ik herinner me dat kommetje nog, op een diner in Oost-China. In een waterig mengsel dreef een donker object, een klein nageltje staarde me gemenig aan. ‘Je moet het echt wel opeten’, zei mijn Chinese vriend. ‘Dit is een oprechte blijk van waardering’.

Tsjechen, Hongaren en Slovenen tweederangsgoederen voorzetten is zoveel als zeggen dat ze mindere mensen zijn. En dus hebben ze met hun klachten overschot van gelijk. Wel moet daar worden bijverteld dat dit soort praktijken ook elders voorkomt.

Het Australische George Institute for Global Health vergeleek fastfood en blikvoeding in een dozijn landen en kwam tot opmerkelijke bevindingen. De Kelloggs Cornflakes die bij het Amerikaanse ontbijt in de melk belanden, bevatten een derde meer zout dan de Australische. En de blikgroenten en het voorverpakte brood dat in Groot-Brittannië worden verkocht, is maar half zo zout als dat in Australië. En daar is de consument, zo benadrukten de rapportschrijvers, jammer genoeg niet van op de hoogte.

Of de EU zijn Oosteuropese lidstaten nu meteen ter hulp zal snellen, valt te betwijfelen. Illegale praktijken zijn dit immers niet. Producenten mogen zich ‘aanpassen aan de lokale smaakvoorkeuren’, zelfs als het in weze louter om winstmaximalisatie gaat.

Maar het concrete probleem is natuurlijk vlot te verhelpen. Fish sticks, Sprite en Nutella zijn volstrekt niet goed voor ons, ze horen in geen enkele voorraadkast of vriesvak thuis. Je wordt er alleen maar dik van. Weg met die troep.