Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

22/06/2017
by Catherine Vuylsteke
2 Comments

De achterkant van China

Momenteel gooit zijn werk hoge ogen op Documenta in Kassel. Maar wie is die Wang Bing eigenlijk? Ik sprak hem tweeënhalf jaar geleden voor Trends, toen Bozar een special aan zijn documentaires wijdde.

Wang Bing brengt zonder compromissen een onbekend en rauw China in beeld. Hij filmt in een failliete staalfabriek, in een verpauperd dorp of in een inrichting waar moordenaars naast zwakzinnigen slapen. “Ik maak geen politieke films.”
Bekend is Wang Bing (47) in zijn geboorteland China niet. Sterker nog: geen enkele van zijn negen films haalde er ooit de bioscoop. Er worden dvd’s van verspreid en Chinezen kunnen er op internet naar kijken, meer niet. Hij is een beetje te vergelijken met zijn landgenoot Liu Xiaobo, de Nobelprijswinnaar voor de Vrede, die nog tot 2020 achter de tralies zit omdat hij een internetpetitie heeft gelanceerd. Beiden zijn in het Westen gevierd, in eigen land worden ze verzwegen.
Maar Wang wil zich niet laten wegzetten als een dissident. “Ik maak geen politieke films”, zegt hij met enige nadruk. “Dat is juist wat mijn bekende collega’s doen. Zij spelen het politieke spel mee en schikken zich naar de eisen van de macht. Ik doe mijn eigen ding. Als je elke vorm van scherpe maatschappijkritiek mijdt, kun je maken wat je wilt. Je krijgt geld en je kunt rekenen op commercieel succes. Doe je dat niet, dan zijn er fondsen noch vertoningslicenties.”
Wordt het gaandeweg iets beter? Hij vindt van niet. “Vijftien jaar geleden heerste er nog een relatief grote onduidelijkheid – waar je handig op kon inspelen. Sindsdien heeft de staat zijn greep versterkt, zijn structuren beter uitgebouwd. Commerciële films zijn precies wat een autoritaire overheid wil.”
“Uiteraard zijn er ook filmmakers zoals ik, die bij buitenlandse festivals fondsen bijeenharken en met erg karige middelen maken wat ze zelf willen. Maar hun aantal neemt gaandeweg af. In een extreem materialistische omgeving als de onze is het verdraaid moeilijk om niet te zwichten voor geld, roem en kansen.”
Wang is net zoals zijn wereldberoemde collega Zhang Yimou afkomstig uit Xi’an, de hoofdstad van de Chinese provincie Shaanxi. Hij bracht er de eerste jaren van zijn leven door, maar werd dan naar het platteland gestuurd om zijn grootvader gezelschap te houden. Toen zijn vader in 1981 bij een werkongeval om het leven kwam, erfde de ondertussen veertienjarige jongen diens baan – een vorm van compensatie, waardoor de familie het inkomen van de overledene kon behouden.
Tien jaar lang werkte Wang als manusje-van-alles. Maar hij wilde absoluut terug naar school. In 1986 begon hij in zijn vrije tijd foto’s te maken. Vijf jaar later slaagde hij voor het ingangsexamen van de Lu Xun Kunstacademie in Shenyang, waar hij zijn liefde voor film ontdekte. Nadat hij was afgestudeerd, kon hij door een gelukkig toeval een opleiding volgen aan de Filmacademie van Peking.
Voor zijn eerste documentaire, het negen uren durende West of the Tracks (2003), keerde Wang terug naar Shenyang. Hij had als student gefotografeerd in de oude complexen van de zware industrie en hij kende er veel arbeiders. Maar dat was niet de enige reden waarom het onderwerp hem interesseerde. “In die periode werden veel staatsbedrijven opgedoekt, met verstrekkende gevolgen”, vertelt Wang. “Mensen die geloofden dat hun werkeenheid altijd huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg zou garanderen, belandden plots op straat, zonder acceptabele ontslagvergoeding. Hun hele bestaan raakte ontwricht, er ontstonden grote sociale tegenstellingen. Dat proces voltrok zich in heel China.”
De sociale gevolgen van het hervormingsbeleid bleven Wang bezighouden. Zo maakte hij in 2008 Crude Oil , een installatie in opdracht van het Filmfestival van Rotterdam. “Ik kwam toevallig op dat onderwerp, toen we filmden in de Gobi-woestijn. Het was herfst, er stond een harde wind. Plots zagen we op een afstand een groep arbeiders die aan olie-exploratie deden. Het grote verschil met de mensen in West of the Tracks is dat deze lui zich geen illusies maakten. Hun baantjes waren tijdelijk en precair, en dat beseften ze heel goed.”
Zijn debuut werd in het buitenland op lof onthaald. Daarna gooide Wang het over een andere boeg. Hij zoomde in op het tragische leven van een journaliste, He Fengming, een van de honderdduizenden intellectuelen die tijdens de Anti-Rechtsencampagne in 1957 in een werkkamp werden opgesloten, omdat ze kritiek hadden geuit op het lokale bestuur. De echtgenoot van He kwam om in de goelag, zij werd tien jaar later, tijdens de Culturele Revolutie, voor de tweede keer vervolgd.
Wang ontmoette He in 1995 korte tijd nadat ze haar memoires had gepubliceerd. Hij was erg onder de indruk en maakt in 2007 met de steun van het Kunstenfestival des Arts een eerste versie van He Fengming, A Chinese Memoir . Wang filmt He compromisloos: hij laat de bejaarde vrouw drie uur lang als een talking head vertellen, zonder dat de camera van positie verandert.
“Voor mijn gevoel moest het zo”, aldus Wang. “Ik wilde met een eenvoudig procedé terug naar de beginjaren van de Volksrepubliek. Het verhaal van He en haar lotgenoten is er een van overtuigde communisten die het beste voorhebben met hun land. Toch worden ze genadeloos aangepakt. Ik vind dat hun lijden een deel van onze nationale geschiedenis blootlegt.”
Over dat onderwerp maakte Wang drie jaar later de fictiefilm The Ditch (2010), een Belgisch-Franse coproductie. “Vaak wordt me gevraagd waarom ik het nog eens heb overgedaan. Maar zo zie ik het niet. Het zijn twee totaal andere films, die misschien ook zijn bedoeld voor een verschillend publiek. Kijk, ik vrees dat sommige mensen zich weinig kunnen voorstellen bij het relaas van He. Ze begrijpen niet wat er is gebeurd en hoe verschrikkelijk de condities in die kampen wel waren. Door in vergelijkbare barre omstandigheden een fictiefilm te draaien, komt die realiteit dichterbij.”
Soms lijkt het alsof Wang zijn onderwerpen toevallig ontdekt. De arbeiders uit Crude Oil vielen hem op tijdens het filmen van The Ditch , en ook het hoofdpersonage van Man with no Name uit 2009 trok door een toeval zijn aandacht. Wang: “Ik heb hem in 2006 voor het eerst opgemerkt. Hij is een kluizenaar, die in de woestijn leeft in weinig meer dan een gat in de rotsen. Hij bedelt niet, vraagt niet om welke hulp dan ook. Hij gaat zijn gang, is één met zijn omgeving en heeft de wereld niet nodig.”
“In een zo door consumptie gedreven maatschappij als de Chinese ontmoet je toch een individu dat geen behoeftes heeft. Dat heeft een diepe indruk op me gemaakt. In een periode van twee jaar ben ik geregeld naar die man teruggegaan. Elke keer maakte ik foto’s en opnames. En in al die tijd hebben we geen woord gewisseld. Dat hoefde ook niet. Er was geen spanning, wrevel of verwondering. Hij liet me gewoon begaan.”
Een zonderlinge kluizenaar tegenover lui met een camera en licht- en geluidsapparatuur, en ieder gaat zijn gang: weinigen zullen het Wang nadoen. Schijnbaar beschikt hij over het talent om zich onzichtbaar te maken. Daar slaagt hij zelfs in ten overstaan van kleine meisjes. In Three Sisters uit 2012 schetst Wang een hallucinant, bijna vier uur durend portret van verwaarloosde kinderen in een bergdorp in de provincie Yunnan. Tien, zes en vier zijn ze, en het gros van hun dagen moeten ze het stellen zonder ouders of externe hulp. Moeder is een jaar of drie geleden met de noorderzon vertrokken, vader werkt in een afgelegen stad en komt zelden naar huis.
Wang ontmoette ook die personages geheel toevallig. “Het ging zo: ik was ontzettend onder de indruk van het boek Verhaal van een god van Sun Shixiang, een jonge schrijver die op zijn eenendertigste was overleden. Volgens mij is het een van de hoogtepunten van de hedendaagse Chinese literatuur. Omdat het een gefictionaliseerde autobiografie is, wilde ik zijn familie en zijn graf bezoeken. Maar het duurde tot na The Ditch voordat ik daar de tijd voor vond.”
“Het graf van Sun bevindt zich op een heuveltop. Toen we terugreden, passeerden we langs het dorp van de meisjes. Ik zag hen bij de weg spelen, ze intrigeerden me. We begonnen te praten en Yingying, de oudste, vroeg me mee naar huis. Terwijl ze aardappelen voor me kookte, vertelde ze dat zij en haar zusjes helemaal alleen waren. Het verhaal liet me niet meer los. Zodra ik fondsen voor een nieuw project had gevonden, ben ik teruggegaan.”
Wang registreert geduldig, respectvol, met gevoel voor detail en zonder dat hij ooit probeert de situatie een bepaalde kant uit te sturen. Hij komt op plekken die zelden worden gefilmd: een fabriek, een boerendorp en zelfs een psychiatrische instelling. Met de plannen om ‘Til Madness Do Us Part te maken – een film die vorig jaar uitkwam – heeft hij meer dan een decennium lang rondgelopen. Toen hij als beginnend cineast in een buitenwijk van Peking een afgelegen gebouw vol vreemde mensen aantrof, wilde hij er graag filmen. Maar de deuren van de instelling bleven voor zijn camera gesloten.
Wang bleef zoeken naar een vergelijkbare situatie.
Uiteindelijk kon hij in de herfst van 2011 aan de slag in een afgelegen oord in de provincie Yunnan. De toestemming werd geregeld door een vriend van een vriend. De dokters van het tehuis stonden achter de plannen. Ze wilden hun problemen onder de aandacht brengen en hoopten door de film meer financiële middelen los te wrikken van de overheid.
Zo’n tweehonderd mensen zitten in de instelling opgesloten. Geesteszieke moordenaars, zwervers en mensen met een mentale handicap delen zonder enig onderscheid de overvolle kamers. Vrouwen op de eerste verdieping, mannen op die erboven. Beter worden ze er niet. De ongedifferentieerde therapie beperkt zich tot drie dagelijkse maaltijden, twee medicatierondes en het sporadische bezoek van een familielid.
In de film is te zien hoe de ene patiënt overal zijn gevoeg doet, terwijl de andere tevergeefs smeekt om vrijheid. De camera verkent de tralies voor het balkon, de vieze muren in de kamers en de gêne van de bezoeker. Als geen ander weet Wang de verveling, de moedeloosheid en de monotonie te evoceren. En hij doet wat hij altijd doet: met een zeldzame mildheid en humanisme scherpstellen op de achterkant. Op de gehavende oorden en mensen die bijna niemand ziet.

14/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Taiwanezen willen homohuwelijk

Taiwanezen willen homohuwelijk

In de komende twee jaar moet de Taiwanese wetgeving worden aangepast om het homohuwelijk toe te laten, zo heeft het Hooggerechtshof beslist. Vijf jaar geleden maakte ik een repo in Taipei over holebi’s:

Een klein homocafé in de universiteitsbuurt van Taipei, even voor achten. Apple-computers, grappig design, erg aaibare kelners en acceptabele kost. Angel Liao en haar vriendin Mu nippen van hun cola’s en vertellen honderduit over de holebi-hotline waar ze een paar avonden per week vrijwillig voor werken. “Soms vraag ik me af”, zegt Angel, “waarom die transgenders allemaal met mij willen spreken.” Mu lacht besmuikt. “Denk je dat ik het evident vind om altijd eenzame oudere mannen te aanhoren? Het hoort er nu eenmaal bij.” Angel knikt. Ze vindt het werk doorgaans wel leuk. “Het is erg verrijkend. Alleen als mijn eigen leven een puinhoop is, lukt het niet. Gelukkig kunnen we dan om een time-out vragen.”
De leefwereld van deze hippe jonge vrouwen ligt behoorlijk ver af van het universum dat de Taiwanese schrijver Pai Hsien-yung in 1983 schetste in de toen opzienbarende roman Jongens van Glas (De Geus, 2006). “We zijn jonge vogels zonder nest. (..) Als verdoemde zielen lopen we rondjes in het Nieuwe Park”, schreef hij. “Met een stapeltje van zweet doordrenkte bankbiljetten in de hand slepen we onze leeggezogen, aan alle uitspattingen bezweken lichamen vlak voor zonsopgang langzaam terug naar onze holen.”

Gay Pride Taiwan

Het Nieuwe Park was in de jaren zeventig dé holebi-ontmoetingsplaats van Taipei. De door Pai zo treffend beschreven brugjes en paadjes bleven behouden, maar het plantsoen werd in 1996 omgedoopt tot 228 Vredesmemorial Park en herbergt nu een museum waar de massamoord op Taiwanese intellectuelen in 1947 wordt herdacht. En jongens als hoofdpersonage Blue Boy worden anno 2012 niet meer het huis uitgetrapt als hun ouders achter hun seksuele geaardheid komen.
Wel integendeel. Dit jaar was de Taiwanese Gay Pride aan haar tiende uitgave toe, en met een opkomst van ruim 65.000 mensen was dat de grootste holebi-manifestatie van Azië. Bovendien worden er op het 23 miljoen zielen tellende eiland nu jaarlijks vier Prides gehouden. “We hebben een flinke weg afgelegd’, meent Pride-organisator Albert Yu. ‘Erg belangrijk bijvoorbeeld was de invoering in 2003 van de Gendergelijkheidswet, waardoor voorlichting werd geïntroduceerd op de scholen en seksediscriminatie op het werk juridisch kan worden aangevochten.”
“Maar er moet nog veel gebeuren”, meent Angel. “Herinner je je nog wat er vorig jaar gebeurde daags na de Pride? Een 13-jarige scholier pleegde zelfmoord omdat hij de druk en de pesterijen niet meer aankon. De jongen werd ondermeer verplicht om basketbal te spelen om zijn ‘verwijfde aard’ af te zwakken.”
Het was overigens de zoveelste zelfmoord. Uit een in april van dit jaar gepubliceerde enquête onder 3.000 Taiwanese holebi’s van tussen de 15 en 30 jaar oud blijkt dat niet minder dan één op vijf een poging tot zelfdoding onderneemt. Ter vergelijking: onder Vlaamse holebi’s is dat 13 procent.
‘Veel westerse vrienden vinden dat we mazzel hebben omdat ons het hele zonde-discours wordt bespaard waar christenen en moslims mee rond de oren wordt geslagen’, zegt Albert Yu. ‘Taiwan is geen religieuze samenleving en seksualiteit heeft niet per se een aura van verdorvenheid. Bovendien, op de jongste edities van de Pride lopen ook vertegenwoordigers van de Presbyteriaanse kerk mee, met spandoeken als ‘God houdt van homo’s’. Maar er zijn evengoed baptistische groepen zoals de ‘Alliantie van de Ware Liefde’, die ons gelijkstellen met overspeligen en bestofielen. Momenteel bewegen ze hemel en aarde om de holebi-voorlichting uit de schoolboeken te laten schrappen.
‘Bovendien werpt het traditionele confucianistische denken waarvan onze maatschappij zo sterk is doordrongen, voor holebi’s ook behoorlijke hindernissen op. De grote filosoof Mencius zei toch dat het niet hebben van mannelijk nageslacht de allerergste vorm van plichtsverzuim is? En laat ik u uit de droom helpen: adopteren is geen optie, het gaat om het veiligstellen van de bloedlijn en om het verwekken van zonen binnen een heterohuwelijk. Uit de kast komen is in zo’n context niet eenvoudig.’

Glazen toilet

Enige straten verder bevindt zich de Gin Gin Store, de meest veelzijdige holebi-winkel van Taiwan. “Laatst hadden we CNN over de vloer”, zegt manager James Yang met onverholen trots, “Het eerste wat ik hen heb getoond, is ons glazen toilet. Dat is ons centrale symbool, waarmee we uitdrukken dat homoseksualiteit niet langer kan worden beschouwd als vuil, stinkend en verborgen.” James wijst naar de rekken vol boeken, cd’s en speel-tjes en vertelt over de verschillende organisaties waar Gin Gin mee samenwerkt, gaande van ‘Liefdevolle Ouders van holebi’s’ tot educatieve en culturele groepen. ‘Tijdens het jaarlijkse filmfestival ‘Women make waves’ (WMW) vinden debatten over holebi-thema’s bij ons plaats.”
WMW-directeur Pecha Lo bereidt in haar kantoor aan het andere einde van de stad momenteel de twintigste festivaleditie voor. Lo programmeert zowel fictie als documentaires van vrouwelijke regisseurs uit de hele wereld en zo’n 20 procent van de geselecteerde films belichten holebi-kwesties. “Taiwanese holebifilms en -documentaires zijn een afspiegeling van de maatschappelijke evolutie. In de jaren negentig waren discriminatie en verdrukking de centrale thema’s. Denk maar aan het internationaal gelauwerde The Wedding Banquet van Ang Lee. Sinds 2003-2004 is de toon veel optimistischer geworden en kreeg je hilarische films als Boys for Beauty of Formula 17, over holebi-scholieren die hun seksualiteit ontdekken. En op ons laatste festival hadden we een documentaire over twee lesbiennes die een kind verwachten.”
Lo’s medewerkster Jackie knikt. “Maar het blijft best moeilijk om hier als lesbische te leven.” Ze vertelt over haar vriendinnen, die bij dezelfde hotline werken als Angel en Mu. Ze zijn dertig en kwamen nog geen van allen uit de kast. “Het punt is dat je je ouders veel verdriet doet met zo’n ontboezeming. Je voelt je dan zelf bevrijd maar je zadelt hen wel op met een geheim. Aan familieleden of vrienden kunnen zij immers moeilijk vertellen dat ze een holebi-kind hebben. Daarom zwijgen veel holebi’s. Diep in hun hart weten vaders en moeders vaak wel hoe het echt zit. En voorlopig moet dat volstaan. Don’t ask and don’t tell, zoals in het Amerikaanse leger tot voor kort, niet?”

14/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Als Roodkapje flirt met de boze wolf (artikel in DS Cultuur op 29 juni 2016)

Als Roodkapje flirt met de boze wolf (artikel in DS Cultuur op 29 juni 2016)

196 voorstellingen van ‘Sens dessus dessous’, 120.000 km, twaalf landen, massa’s prijzen. Nu staan Arne Sabbe (26) en Simon Bruyninckx (26) van Collectif Malunés voor de avant-première van hun tweede circusproject, ‘Forever, happily’.
Sinds midden juni zijn de tien caravans van het Belgisch-Frans-Brits circusgezelschap Collectif Malunés geparkeerd rond een donkerrode, via crowdfunding bekostigde circustent in Marke, waar straks Festival Perplx plaatsvindt. We drinken samen koffie op een druilerige lenteochtend, hun eerste vrije dag in zes weken, na werkdagen van acht uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. ‘We schaven de voorstelling nog steeds bij’, zegt Sabbe.
In de voorbije maanden hebben de vijf mannen en twee vrouwen van Collectif Malunés in het ­zuiden van Frankrijk gewerkt aan een herinterpretatie van de sprookjes van Andersen, Perault en de gebroeders Grimm. Het resultaat is volgens het festivalboekje, ‘een grappige en intieme voorstelling vol acrobatie en muziek, waarin roodkapjes flirten met de boze wolf’.
‘Dat beeld van domme, passieve vrouwen, die wachten tot mannen hen komen redden, bevalt ons niet .’
Sabbe komt uit een West-Vlaams gymnastengezin dat geluk definieerde als collectieve conditietraining. ‘Mijn circus begon met acrobatie in de bomen van de tuin en op mijn twaalfde was ik dolblij dat ik naar de Brugse circusschool Woesh kon. Alleen waren jongleren en kunstjes op de eenwieler niet helemaal mijn ding, waardoor ik na een paar jaar afhaakte.’
Zijn leraren hadden Sabbes talent wel degelijk opgemerkt, en voor de jongerenstages aan de internationaal gerenommeerde Brusselse circusschool ESAC dachten ze aan hem. ‘Zestien was ik, en ik kon mijn geluk niet op’.
Het is tijdens die stages dat Sabbe Bruyninckx leerde kennen, een jongen uit Mechelen die al sinds zijn achtste voorstellingen maakte in de garage van het ouderlijke huis. ‘Mijn vader was een klusser’, vertelt Bruyninckx. ‘Voor mijn broer Vincent en mij maakte hij stelten en installeerde hij een trapeze in de garage. We konden koorddansen in de tuin en voor onze eerste communie kregen we een eenwieler.’

Les Malins

De broers Bruyninckx wisten hun moeder te overhalen om hen naar het Leuvense Cirkus in Beweging te brengen, aanvankelijk één maar al gauw drie keer per week. Dat er later ook een circusschool in Mechelen kwam, zal moeder geapprecieerd hebben. Maar tegen die tijd had ze de handen vol met de haast wekelijkse voorstellingen van haar twee zonen. ‘Als Les Malins luisterden we communiefeesten en verjaardagen op met onze show van ongeveer een halfuur. We kregen 100 euro per voorstelling, centen die grotendeels werden geïnvesteerd in nieuw materiaal en kostuums’.
Als het aan hun ouders had gelegen, waren Sabbe en Bruyninckx chemicus en architect geworden, maar na hun stages in Brussel wisten ze dat ze hun leven in het circus wilden doorbrengen. Als duo zelfs, op de evenwichtsplank en bij partneracrobatiek.
Aanvankelijk zat het niet mee. Geen van beiden slaagde voor de auditie in ESAC, waarbij vijftien leerlingen worden geselecteerd uit driehonderd kandidaten, afkomstig uit de hele wereld. ‘Twee weken was ik er kapot van’, zegt Bruyninckx. ‘Ik was zo overtuigd van mijn slaagkansen dat ik me niet eens bij een andere instelling had aangemeld. Zelfoverschatting? Ach, de scholen in België zijn zo klein dat je makkelijk bij de besten bent’.
De twee jongens opteerden dan maar voor de pas opgerichte Tilburgse circusacademie, ‘om te tonen dat wie ons afwees, ongelijk had’, meent Sabbe. ‘En kijk, na twee jaar konden we naar een van de allerbeste scholen, in het Franse Châlons-en-Champagne. Dat was als aankomen in de hemel. Van een onverwarmde, roze tent vol gaten naar een stenen circusgebouw, waar de fine fleur van de hele wereld lesgeeft’.

Vooropleiding

‘Dat een ommetje nodig was, is best te begrijpen’, vindt Sabbe. ‘In onze jeugd beschikten we niet over de vooropleiding die het gros van onze concurrenten in het buitenland had genoten’.
De Tilburgse school was die van de afvallers, maar de jongens hebben er geen spijt van. ‘Het is daar dat we Juliette leerden kennen en samen Sens dessus dessous maakten, waar we jarenlang mee zouden toeren. Juliette leerde ons dat circus vrijblijvend vermaak noch een optelsom van kunstjes is. Het gaat om sfeer, de emoties die je veroorzaakt, de boodschap die overbrengt. “Wat wil je met die ­salto uitdrukken”, is een typische vraag die zij vanuit haar Franse circusachtergrond stelde. En daar konden we wat mee’.
Bruyninckx, Sabbe en de acht anderen beschouwen zichzelf als een collectief in de eerste betekenis van het woord. Arne: ‘Anderhalf jaar al wonen we in onze caravans rond de tent. Samen werken, democratisch beslissen, collectief koken en een beurtrol voor de klussen. Voor ons is die samenwerking een waarheid. Collectief komen we veel verder. Genereert dat spanningen? Absoluut, maar ook daar leren we uit. Voorlopig is dit onze geprefereerde samenlevingsvorm. (lacht) Vraag het ons over vijf jaar nog eens.’

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Na het omhoog vallen

Na het omhoog vallen

In haar debuut ‘De Wangs vs de wereld’ neemt Jade Chang de ontrafeling van de American dream onder de loupe in een roman als een flitsende road movie.

‘Wang was kwaad op Amerika. Of liever gezegd, Charles Wang was kwaad op de geschiedenis. Als die dood en verderf zaaiende Japanners China nooit waren binnengevallen, als een miljoen (een miljard) misleide studenten en horigen niet die kalende academicus hadden aanbeden die Russische gekken napraatte en zijn beloften niet kon waarmaken, zou Charles hier niet in zijn beminde huis in Bel-Air door het raam staan staren, met in zijn hand een aspirine, wachtend op dat stelletje berekenende klootzakken van de bank (de bank die ooit op zijn knieën van nep-Italiaans marmer was gezakt en zijn achterste had gekust) dat zijn leven zou komen onteigenen’.

Zo luiden de memorabele openingszinnen van ‘De Wangs vs de wereld’. Het jaar is 2008 en de foreclosures zijn ook de uit Taiwan naar LA verkaste make-up fabrikant Charles Wang fataal geworden. Wist hij in de voorgaande decennia een heus imperium op te bouwen, met acht fabrieken goed voor 200 miljoen dollar, nu hebben hij en zijn gezin zelfs geen huurhuis of auto meer. Alle credit cards zijn geblokkeerd, de kinderen Grace (16, schrijfster van een modeblog) en Andrew (20 of zo, wannabe stand-up comedian) moeten van school af en de hele familie trekt in bij de oudste dochter Saina (28), die als een uit de gratie gevallen hedendaagse kunstenaar op het platteland van New York State woont.

In een van het kindermeisje Ama geleende Mercedes uit 1980 vangt een road movie van 5730 km aan, die de Wangs bij oude zakenpartners brengt en die hen veroordeelt tot schurftige motels en etablissementen die alleen smerig eten serveren. Op initiatief van Charles gaan ze met een laatste voorraad cosmetica aan de haal, ze worden op het trouwfeest van onbekenden dronken gevoerd en raken betrokken bij een gelukkig alleen voor de Mercedes fataal ongeval.

Die avonturen worden met grote vaart en op satirische toon verteld. Dat Jade Chang zo treffend de wereld van nieuwe rijken, hipsters en in zelfverheerlijking zwelgende jonge kunstenaars weet te beschrijven, heeft ongetwijfeld te maken met haar eerdere job als redacteur van het luxemagazine Angeleno in L.A. Bovendien stijgen haar personages boven dat holle universum van Missoni, Hermès en Piaget uit. Vooral Charles is een heerlijke protagonist: al even traditioneel als self-made, scherp en gevat maar ook mededogend. Hij lijkt in weinig op de Aziatische migranten van de eerste generatie die we doorgaans te zien krijgen, tot aan de financiële crash is er geen spoor van heimwee, ontworteling of identiteitscrisis. ‘Jawel, Amerika was dol op hem. (..) Make-up was Amerikaans en Charles begreep make-up. Het was kunstgreep en oprechtheid.(..) De kunstgreep is de ware oprechtheid, dacht Charles. Je verlangen om te veranderen opbiechten, bereid zijn ergens naar te streven, dat waren zaken die zinvol waren. De ware vervalsers waren degenen die dat soort oprechte impulsen ontkenden’.

In interviews vertelt Jade Chang dat ze bewust voor een ander soort migratieverhaal heeft gekozen. ‘Ik heb een gelukkige jeugd gehad in de San Fernando Valley (in het zuiden van California,nvdr) en heb me nooit een buitenstaander gevoeld’, zegt ze. ‘ Ik vind dat dat verhaal ook mag worden verteld’.

‘De Wangs vs de wereld’ is geestig en leest als een trein, maar over één ding heb ik het hele boek lang zitten dubben. Hoe zal een niet-Chineestalige lezer reageren op het feit dat Chang compromisloos onvertaalde Chinese zinnen (jammer genoeg vaak in foute transcriptie) laat binnensluipen in de dialogen tussen Charles en zijn vrouw of kinderen? Neem deze scène waarin iedereen in de auto aan het bellen is. Ama : Yi ding yao zuo fan la! (je moet zeker koken, staat er evenwel niet) Grace: Ik dacht ook vanavond maar zij denken dat het te laat is…Ama: shei ne me xiao qi? Qian, wo gei qian! (Hoe kan je zo gierig zijn? Geld? Ik zal geld geven, staat er ook niet)’ Als Chang daar in interviews naar wordt gevraagd, argumenteert ze dat je de betekenis uit de context kan afleiden (wat niet helemaal klopt). En je zou ook kunnen beweren dat het tijd wordt dat de taal van éénvijfde van de mensheid wat breder ingeburgerd geraakt. Maar of de frequente Chinese frazen in dit boek elkeen tot een spoedcursus Chinees zullen aanzetten eerder dan een ergerlijke hindernis te vormen in een zee van leesplezier, weet ik zo nog niet.

De Wangs vs de wereld, uitgeverij Signatuur, 446 pag, 21,99 euro

12/06/2017
by Catherine Vuylsteke
Reacties uitgeschakeld voor Van honden en hoeren die verrijzen

Van honden en hoeren die verrijzen

Magie en spot zijn uitgelezen hulpmiddelen om een pijnlijke nationale geschiedenis bloot te leggen, zo bewijst de Indonesische Eka Kurniawan met ‘Schoonheid is een vloek’.

In literaire termen ligt Indonesië veraf. De enige naam die doorgaans valt is die van Pramoedya Ananta Toer, de anti-koloniale schrijver die beroemd werd met zijn Buru-kwartet maar toch naast de Nobelprijs greep. Met Eka Kurniawan (41) valt het opnieuw op. Immers, zijn roman ‘Schoonheid is een vloek’ werd meteen na zijn verschijning in 2002 een behoorlijke hit maar het zou nog dertien jaar duren vooraleer er een Engelse vertaling kwam. Ondertussen is Kurniawan aan zijn vijfde roman bezig.

Toegegeven, nu gaat het hard: de rechten voor Kurniawan’s debuut werden verkocht aan 24 taalgebieden, waaronder het Nederlandse. Zijn tweede boek, ‘Man Tiger’ is ook al in het Engels verkrijgbaar en een derde vertaling volgt in 2017.

Kurniawan zegt een groot fan te zijn van Pramoedya Ananta Toer en ze hebben alvast de voedingsbodem van de West-Javaanse orale traditie gemeen. Maar eerder dan aan te sluiten bij het Tolstojaanse, politieke realisme van Ananta Toer, verkent Kurniawan een magisch-realistische wereld waarin de doden verrijzen en prinsessen trouwen met honden.

Het Macondo van Kurniawan heet Halimunda, een plek waar de levens van gewone stervelingen weinig waard zijn. Het centrale personage in ‘Schoonheid is een Vloek’ is Dewi Ayu, het onwettige kind van een halfbroer en een halfzus, uit een Nederlandse koloniale familie in Indonesië. Die banden met de macht halen evenwel weinig uit. Net als alle kolonialen die zich niet snel genoeg uit de voeten maakten, wordt de bloedmooie Dewi Ayu in een jappenkamp opgesloten en als troostvrouw gebruikt door Japanse soldaten.

Na de oorlog blijft ze als prostituee werken en ze baart drie al even beeldige dochters, die huwen met de centrale figuren van de macht: een revolutionair/crimineel, een regionale militaire commandant en een charmante communist. Het zit hen evenwel niet mee. Dewi Ayu’s nageslacht wordt door de ene tragedie na de andere geteisterd, noodlottigheden die over hen werden afgeroepen door een wraakzuchtige geest die aan de koloniale wandaden ten onder ging.

Onder een waas van folklore en bijtende spot draait Kurniawan de hele recente geschiedenis af, van de kolonisatie, toen meisjes speelgoed waren in de handen van koude meesters, over de Japanse bezetting tot het communistisch bloedbad van de jaren zestig en de Petrusmoorden van twintig jaar later. Niet zelden kiest hij een opmerkelijk perspectief : zo zien we de massamoord van 1965 door de ogen van Kamino, de uitgestoten grafdelver, voor wie het grote sterven leidt naar de liefde. Immers, hij verstaat de kunst van het spreken met geesten, en aldus kan de ontroostbare Frieda haar vermoorde vader opnieuw ontmoeten. Ze is Kamino daarvoor zo erkentelijk dat ze het kerkhof ten eeuwigen dage met hem wil delen.

De Petrusmoorden, waarbij tussen 3.000 en 10.000 vermeende criminelen standrechtelijk werden geëxecuteerd door politie en veiligheidsdiensten in tot op heden onopgehelderde omstandigheden, zijn dan weer het verhaal van Maman Gendeng, de lokale opperboef die er in slaagt om na zijn dood terug te keren om afscheid te nemen van zijn vrouw.

Kurniawan construeert zijn verhalen goed, met geweldige openingszinnen zoals ‘Op een weekendmiddag in maart, kwam Dewi Ayu uit haar graf, 21 jaar nadat ze was gestorven’. Zo gaat het bijna in elk hoofdstuk.

De taal is eenvoudig maar de verhaallijnen en vertelvolgorde zijn dat niet. Niet zelden begint hij bij de uitkomst, wat zorgt voor een prettige spanning. Deze past goed bij de droge, Javaanse humor van Kurniawan. ‘Het moet verwarrend zijn om te zien dat ik na 21 jaar uit het graf ben gekomen’, zo laat hij Dewi Ayu tegen haar dochter Schoonheid zeggen, ‘zelfs die langharige die aan het kruis stierf, was slechts drie dagen dood voor hij verrees’.

Kurniawan heeft zijn land literair terug op de kaart gezet. ‘Schoonheid is een vloek’ is een heerlijke remedie tegen somberheid en grijze dagen. Op naar een volgende vertaling.