Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

20/08/2016
by Catherine Vuylsteke
Reacties staat uit voor Kind noch kraai

Kind noch kraai

De Japanse versie van een gelukkige vrouw? Een echtgenote en een zichzelf wegcijferende moeder. Maar het evenwicht tussen werk, liefde en kroost is dermate zoek dat één dertiger op drie nog single is, en één veertiger op vier eveneens. Welkom in de wereld van de loserdogs.

Japan is uniek, dat zal menige inwoner van de eilandenarchipel u verzekeren. En dan komen de verhalen over de zingende toiletten, de kawaii of ‘cultuur van de schattigheid’, de legers geüniformeerden, de wonderlijke drankautomaten, de poezen-streelcafé’s, het mochi-ijs en de manga’s.

Er was zelfs een tijd dat ’s lands leiders beweerden dat de Japanse sneeuw uniek was, en dat mensen er langere darmen hadden dan in de rest van de wereld. Maar dat was louter om de import van buitenlandse skis en Amerikaans rundsvlees tegen te gaan.

En toch klopt het. Japan is nergens mee te vergelijken. Kijk naar de Gender Gap Index, die jaarlijks wordt gepresenteerd op het World Economic Forum in Davos. In geen enkel steenrijk land gaapt de kloof zoals in Japan, wereldwijd doen slechts 38 van de 142 landen het slechter. Japan legt het af tegen Oeganda, Bangladesh en Tadjikistan, waar de modale burger het met vijftien keer minder centen moet doen.

Die kloof ligt niet aan het onderwijs, haast in geen enkel land halen meer meisjes een universitair diploma. Maar zestig procent verdwijnt van de arbeidsmarkt als ze trouwen of kinderen krijgen en het gros komt niet meer terug. Ook op het vlak van de macht, de politieke evengoed als de economische, gaat het goed fout. In het parlement zitten amper 8 procent vrouwen en van alle ceo’s en managers is slechts 11 procent van het vrouwelijke geslacht.

Economen berekenden dat het bnp met maar liefst 15 procent zou stijgen als Japan iets minder uniek werd en zijn genderonevenwicht wegwerkte. Conservatief premier Shinzo Abe heeft daar gezien de lange jaren van economische crisis wel oren naar. Bij de voorstelling van zijn groeiplan ‘Abenomics’ twee jaar geleden, beloofde hij dat ‘de Japanse vrouwen binnenkort zullen schitteren’. Als we hem mogen geloven, dan zullen ze tegen 2020 dertig procent van alle leidersfuncties bekleden. Daar wil hij de bedrijven zelfs voor betalen. Vorig jaar maakte Abe geld vrij voor aanmoedigingspremies, maar eind september had nog geen enkele firma er een aangevraagd.

Ach, het zijn moeilijke tijden. Niet alleen geeft de vrouwelijke helft van de bevolking Japan een slechte naam in genderlijstjes, bovendien zorgt ze nauwelijks voor nageslacht. Het reproductieniveau van 2,07 kinderen per vrouw wordt al veertig jaar niet meer gehaald. Lange tijd keek de overheid de andere kant op, tot in 2005 een absoluut dieptepunt werd bereikt met 1,26 kinderen per vrouw. De 71-jarige minister van Gezondheidszorg en Arbeid, Hakuo Yanagisawa, vroeg zich zelfs af wat er met ‘de voortplantingsmachines’ kon zijn gebeurd.

De gevolgen zijn evident. Anno 2015 is meer dan een vijfde van de bevolking ouder dan 65 en de verkoop van pants voor incontinente bejaarden gaat harder dan die van babyluiers.Tegen 2060 zullen er 26 miljoen Japanners minder zijn dan nu, en in de dertig jaar daarna gaat het van 100 miljoen mensen naar 90 miljoen.

Het ligt aan Bankonka zeggen de experts, aan het uitstellen van het huwelijk. De modale Japanse wacht tot haar 29ste met trouwen. Als ze dat al doet. In één geval op drie is ze vijf jaar later nog single en ook onder de 39-jarigen is nog een kwart ongehuwd. Nochtans lees ik dat niet minder dan 89 procent van alle vrouwen ooit wil trouwen.

Dat zal best. Single zijn wordt je als vrouw niet in dank afgenomen, kijk naar de namen waarmee je wordt bedacht. In de jaren tachtig, toen de ideale huwelijksleeftijd nog op 25 lag, sprak men smalend van ‘overgebleven Kerstcake’. Tien jaar later had men het over ‘parasitaire vrijgezellen’, omdat ze doorgaans nog thuis woonden en hun inkomen naar believen mochten uitgeven. En onderhand heten singles ‘oude juffrouwen’ en ‘ongehuwde weduwen’.

Een paar vrouwen sloeg terug. ’s Lands beroemdste ongehuwde feministe, Chizuko Ueno (67), omschrijft zichzelf als een ‘preventief gescheiden vrouw’ en columniste Junko Sakai noemt zich ‘een loserdog’. In haar erg succesvolle essaybundel over haar leven als alleenstaande, vertelt ze over restaurants die haar wegsturen omdat ze een zielige indruk zou maken op andere klanten, en over hotels die haar een kamer weigeren omdat ze weleens suïcidaal zou kunnen zijn.

Keiko (41), een ongetrouwde informaticus uit Nagoya, moet er om lachen. ‘Maar het klopt wel’, zegt ze. ‘In Japan is een gelukkige vrouw een echtgenote, en een zichzelf wegcijferende moeder. Al de rest wordt niet voor vol aanzien’.

Dat deert Keiko niet. Als kind al was ze vastbesloten om later uit werken te gaan. ‘En dus: niet te worden als mijn moeder, een huisvrouw en echtgenote van een ‘sarariman’, die lange dagen maakt op kantoor, ’s avonds uit drinken moet met collega’s en die de zondagen in bed doorbrengt.

‘Ik besef nu dat dat negatieve beeld voortkomt uit de omstandigheden waarin ik opgroeide. Mijn ouders hadden een slechte relatie en zijn uiteindelijk gescheiden. Mijn moeder is zo snel mogelijk hertrouwd, met een man die ik niet mag. Ze is heel traditioneel, voor haar is het zoals in het spreekwoord: in geen van de drie werelden heeft een vrouw een eigen huis. Ze woont bij haar vader, bij haar man, of bij haar zoon’.

Na haar opleiding gaat Keiko aan de slag bij een klein bedrijf in Nagoya. ‘Geld verdienen, iemand zijn, daar was het me om te doen. Viel dat even tegen. Van mij werd verwacht dat ik elke ochtend de bureaus afstofte en dat ik thee maakte voor bezoekers. Aan mijn mannelijke collega’s it-ers werden dergelijke dingen nooit gevraagd.

‘Bovendien wist men dat ik verkering had met een jongen van een andere afdeling. Wanneer zouden we trouwen en hoeveel kinderen dachten we te nemen? Altijd weer gingen de conversaties die kant op, het ergerde me mateloos.

‘Korte tijd nadat mijn vriend me ten huwelijk vroeg, ben ik naar Toronto vertrokken. 28 was ik toen. Mijn hele leven al vond ik alles wat westers was bijzonder cool. Bovendien was ik ervan overtuigd dat ik in Canada vrij zou kunnen zijn. Een mens in plaats van een vrouw’.

Zoals Keiko zijn er velen, tal van jonge Japanse vrouwen vertrekken naar het Westen om te werken of te studeren. De Amerikaanse professor Karen Kelsky ziet dat als een ‘individuele vlucht uit de seksistische, patriarchale Japanese maatschappij. Die vrouwen stellen de verwachtingen in vraag die aan hen worden gesteld en ze construeren een nieuw zelfbeeld, binnen een internationale ruimte waarin zelfontplooiing, persoonlijke ontdekking en romantische vrijheid centraal staan’.

‘Ik ben in Toronto een nieuw mens geworden’, meent Keiko. ‘Maar toch pakte alles heel anders uit dan ik me had voorgesteld. Mijn gebrekkige Engels deed me de das om. Ik werd behandeld als een tweederangsburger, als een dwaze immigrant die nergens verstand van heeft. Het enige baantje dat ik kon vinden, was in een tochterige tweedehandswinkel, waar ik een luttele vijf dollar per uur verdiende. Ik kreeg heimwee en was na een jaar opgelucht om terug thuis te zijn’.

Wat ze in het buitenland wél leert, is dat Japanners uit Tokio anders zijn dan de lui uit haar geboortestad Nagoya. ‘Ik heb mensen ontmoet waarvan ik niet wist dat ze bestonden. Landgenoten die de spot dreven met onze stringente normen en voor wie werk en familie niet het enige waren dat telde. Individuen die echt leefden, leefden voor zichzelf. Zo wilde ik ook zijn.’

Na haar terugkeer verkast Keiko naar de hoofdstad. ‘Die eerste jaren hier waren de gelukkigste van mijn leven. Ik leerde tal van interessante vrouwen kennen, met wie ik uit eten, naar de film of naar feestjes ging. Alles kon en alles mocht. Trotse loserdogs, dat waren we toen’.

Maar dan haalt de realiteit haar in. Met de Tohoku aardbeving en tsunami, in maart 2011. ‘20.000 doden en een toestand van collectieve shock en ontreddering. En voor mij: een wake-up call. In het hele land stonden de telefoons roodgloeiend, iedereen wilde weten of vrienden en verwanten ongedeerd waren. Maar mij belde niemand.

‘Dat heeft me ontzettend aan het denken gezet. Zou mijn dood ook maar iemand uit zijn slaap hebben gehouden? Heb ik de foute keuzes gemaakt door echtgenote noch moeder te zijn?’

Chiriko (33), een econome uit een begoede familie in de buurt van Tokio, hoopt dat ze zich dergelijke vragen nooit hoeft te stellen. Maar gerust is ze er niet op. Sterker nog, ze heeft het gevoel dat ze naast de prijzen heeft gegrepen, dat alle geschikte echtgenoten werden uitgedeeld op een moment dat zij er niet klaar voor was. Het is de schuld van haar moeder, meent ze, en ze kan het haar niet vergeven.

Net zoals Keiko is Chiriko het kind van gescheiden ouders. ‘Toen ik zes was, kondigde mijn vader op een zondagochtend aan dat hij moest vertrekken’, vertelt ze. ‘Ik zie hem nog voor me, met een kleine koffer in zijn hand. Hij glimlachte naar me en zei dat ik me geen zorgen moest maken’.

Tien jaar gingen voorbij vooraleer ze haar vader terugzag. Ze wedt dat hij soms belde om naar zijn enige kind te informeren, maar haar kreeg hij nooit aan de lijn. ‘In het huis waar ik met mijn grootouders en moeder woonde, bestond hij niet meer. Het duurde ontzettend lang vooraleer ik begreep waarom hij werd weggestuurd. Vader had grote schulden gemaakt en opa vreesde dat hij het familiehuis zou verliezen als hij hem niet verstootte.

‘Ik weet dat mijn verwanten me wilden beschermen. Kinderen verdienen een zorgeloze jeugd en horen niet te delen in de problemen van volwassenen, vond mijn opa. Maar wat hij niet wist, is dat mijn vader tussen ons is blijven staan. Hij en de geheimen van mijn moeder.

‘Officieel is ze nooit hertrouwd, dat zou mijn stricte, traditionele grootvader niet hebben goedgekeurd. En dus had ze stiekem een vriend, die ze tijdens haar eindeloze boodschappenrondes opzocht. Mijn moeder wist dat ik het wist, laatst heeft ze dat ook toegegeven. Maar ze kon het risico niet nemen om er over te praten, zei ze. Stel dat ik er tegen grootvader over begon’.

Chiriko is ervan overtuigd dat de stilte en de leugens van haar jeugd blijvende schade hebben aangericht. ‘Daardoor zijn mijn huwelijkskansen verkeken. Als ik nadenk over mijn vriendinnen aan de universiteit, dan besef ik dat hun belangrijkste studiedoel de jacht op een fatsoenlijke man was’. Een 3-C-man, zoals dat hier heet. Communicatief, coöperatief, comfortabel. Een echtgenoot die zich kan uitdrukken en weet te luisteren, die helpt in het huishouden en die een goed betaalde baan heeft.

Chiriko heeft nu last van acute huwelijksstress. Ze zegt dat ze soms dagenlang aan niets anders kan denken. ‘Dan wordt de wereld heel klein, alsof ik me in een tunnel bevind en niet weet of ik het einde haal. Aan de universiteit kon ik me aan niemand binden en onderhand is mijn huwelijkswaarde sterk gedaald. Zo gaat dat na je dertigste en tegen de tijd dat je veertig bent, wil niemand je nog’.

Sinds een jaar is ze op tal van dating sites actief en verschillende keren per maand gaat ze naar een ontmoetingsplek voor singles. ‘Het maakt me verdrietig, maar het is mijn lot. Ik moet geloven dat ik tegen volgend jaar iemand zal hebben gevonden. Eerst een man en dan zo gauw mogelijk een kind. De tijd dringt’.

Masami (43), lector gezondheidspsychologie aan een Tokiose universiteit, ligt niet wakker van kinderen. ‘Ik weet dat ik mijn ouders daarmee teleur stel’, zegt ze. ‘In de omgang met hun hond zie ik hun verlangen naar nageslacht. Maar schuldig voel ik me niet.

‘Als kind werd ik het slachtoffer van ijime, pesten op school. Een stel jongens had het heel erg op mij gemunt. Ze bedachten de gruwelijkse scheldnamen en wisten me sociaal te isoleren. Dat heeft me getekend voor het leven’.

Het verhaal van Masami is niet uitzonderlijk. Pesten is een groot probleem op Japanse scholen en Tamaki Mino, van de University of Queensland in Australië, meent zelfs dat het een rechtstreeks gevolg is van het schoolsysteem. ‘Uniformiteitstraining is de kern van het onderwijs’, schrijft ze. ‘Kinderen worden gedwongen om zich te conformeren aan de groepsnorm, zodat ze later kunnen functioneren in een cultureel homogene, sterk normatieve maatschappij. Iedereen die ‘anders’ is, wordt genadeloos aangepakt’.

‘Toen ik als 26-jarige alleen ging wonen, had ik nog nooit een vriend gehad. Mijn ouders maakten zich zorgen. Het is beter dat je trouwt, zeiden ze almaar, er is niet veel tijd meer’. Maar daar kon ik niets mee, overtuigd als ik was dat ik niemand gelukkig zou maken’.

Masami stort zich op haar job. Aanvankelijk werkt ze in een ziekenhuis, maar carrièrekansen zijn er niet. ‘Dus besloot ik weer te gaan studeren, via afstandsleren. Ik heb er vijf jaar over gedaan, en vond vervolgens een andere job. Maar ook daar was het heel lastig om promotie te maken. Alleen vrouwen met de allerbeste diploma’s stootten door. Dus schreef ik me opnieuw in, voor een volgende opleiding. Op die manier heb ik deze baan als lector gekregen.

‘Het is prettig werken, maar ik haat de vrouwelijke collega’s die alleen over hun kinderen praten. Ze doen dat opzettelijk, om me te tonen dat ze beter zijn. Gelukkiger, waarachtiger.

‘Tegen mijn zestigste wil ik trouwen, je hebt een partner nodig in je oude dag. Tot die tijd wil ik blijven werken en instaan voor het onderhoud van mijn eveneens ongehuwde zus Sato, die haar baan opzegde om voor onze onderhand 82-jarige ouders te zorgen.

Zoals Sato zijn er jaarlijks 100.000 vrouwen en als het aan premier Abe ligt, wordt dat aantal in de volgende vijf jaar tot nul herleid. Sinds 2013 zijn er behoorlijke subsidies voor dagopvang, vooral gericht op de 10 miljoen tachtigplussers.

Uit onderzoek blijkt evenwel dat veel mannen er niet van willen horen en daar hebben ondernemers als Kaoru Mori iets op gevonden. Sinds vorig jaar heeft hij 10 Casino-dagcentra geopend, waar bejaarden een kaartje leggen, achter slotmachines zitten en pokeren. Zijn voorbeeld kent behoorlijke navolging, ondertussen zijn er zestig goktenten voor oudjes in het hele land. Het enige probleem is dat kansspelen illegaal zijn. Er moet dus met nepgeld worden gespeeld.

Hinata (45), een manager uit Kyoto, hoeft zich niet over bejaarde ouders te ontfermen. Haar moeder stierf toen ze 25 was, haar vader een paar jaar geleden. Vooral de plotse dood van haar moeder was een gigantische klap. ‘Het leek wel alsof alle zekerheden uit mijn leven verdwenen. Ik zegde mijn baan op en bleef twee jaar thuis om het huishouden te doen voor mijn vader en broertje. Toen ik opnieuw aan de slag wilde, werd ik door de werkgevers te oud bevonden. Je gaat straks toch trouwen, heette het, dus heeft het weinig zin om je in dienst te nemen’.

Hinata verhuist naar Tokio en gaat opnieuw studeren. Met een economiediploma kan ze aan de slag bij een reisbureau, maar ze moet al te lange dagen maken. ‘Het probleem was niet alleen dat je nooit eerder dan de baas naar huis kan. Het gros van onze klanten waren Europeanen en Amerikanen en dus zorgde het tijdsverschil ervoor dat ik zestien uur per dag werkte. De druk was te hoog, daarom ging ik weer studeren. Ik wilde mijn kansen veilig stellen door voor mijn veertigste een MBA te halen, wat nipt is gelukt. Nu heb ik een goede baan aan de universiteit, als enige vrouw in het hele team. Daar ben ik trots op.

‘Of ik nog aan trouwen denk? Ach, dat is iets voor na mijn pensioen. Dan zal ik de tijd hebben om me aan een man te wijden. Iemand met een prettige persoonlijkheid, liefst knap en zonder financiële zorgen. Dat moet wel lukken.

‘Aan aanzoeken heeft het me in de voorbije jaren niet ontbroken. Ik heb al drie keer nee gezegd. Het waren wel fijne mannen maar het punt is dat ik niet van halfslachtigheid houd. Voor mij impliceert een huwelijk dat je stopt met werken maar dat zou zonde zijn, na alle moeite die ik heb gedaan.

‘Dat ik er zo over denk, heeft met mijn moeder te maken. Ze was huisvrouw maar gaf privé-pianoles, haast elke dag. Terwijl mijn vriendinnen thuis werden opgewacht met lekkere hapjes, was mijn moeder met haar leerlingen bezig. Voor mij had ze nauwelijks tijd, ik herinner me nog hoe verdrietig ik daar om was.’

Leven om te werken, dat is eigenlijk ook wat Aya (40) doet. Ze is een van de weinige vrouwelijke archeologen die het al bijna twee decennia volhoudt. Haar bestaan is een aaneenschakeling van eenjarige opgravingsprojecten, verspreid over de hele eilandenarchipel. De ene keer legt ze de woonst van een middeleeuwse samoerai bloot in Kyushu, dan weer graaft ze naar de restanten van een oude havenstad in Hokkaido. ‘Dat graven is erg letterlijk’, zegt ze. ‘Wellicht verschilt mijn werk in dat opzicht nog het meest van dat van westerse archeologen. Je begint als leerling van een meester bij het begin, het graven. En zelfs na je promotie, blijf je in de grond wroeten. Mijn mentor is de zeventig voorbij en hij doet het nog steeds. Het is best lastig, lange uren, niet zelden in de blakende zon.

‘Veel vrouwen haken daarom af. Bovendien valt dit vak niet met een gezin te combineren. Geen enkele man zou bereid zijn om voor zijn echtgenote elk jaar te verhuizen. En liefdesrelaties met collega’s worden ontmoedigd. Dat zou de resultaten niet ten goede komen.

‘Ik ben nu best tevreden met mijn leven maar toen ik een jaar of dertig was, vroeg ik me af of ik wel op deze weg verder moest. Dan begon het rekenen. Als ik over drie jaar een kind krijg, ben ik voorbij de vijftig tegen de tijd dat hij de middelbare school afheeft. Haal ik dat? Of stel dat ik veertig ben vooraleer ik een man en een kind heb, ben ik dan niet te oud om een goede moeder te zijn? Het heeft me veel slapeloze nachten bezorgd.

‘Nu heb ik vrede met een kinderloze toekomst, het helpt dat mijn ouders er niet meer over zeuren. Jarenlang hebben ze me opgejaagd met hun ‘suggesties voor een gelukkig leven als vrouw’. Ze hielden er pas mee op toen ze zagen hoe dat voor mijn zusje Saki uitpakte. Zij is gescheiden, heeft een zoon en woont terug bij hen in. Uit financiële noodzaak. Toen ze na de scheiding weer aan het werk wilde, vond ze alleen een tijdelijke en dus slecht betaalde job. Voor moeders is het carrièrespoor definitief afgesloten. Dat was tijdens de bubble-economie al zo, en tijdens de daaropvolgende ‘Twintig Verloren Jaren’ (’91-2010) werd het alleen maar erger. Het zijn de vrouwen die de crisis betaalden, vooral hun jobs verdwenen. Begrijp je dan waarom velen twee keer nadenken voor ze een kind nemen?’

Momenteel heeft Aya een vriend. Of noem het een belrelatie. Ze wonen op zo’n 800 km van elkaar, hij houdt niet van e-mail en meer dan één ontmoeting per maand zit er niet in. Over trouwen hebben ze het nog niet gehad. ‘Ik denk dat het hem niet interesseert en zelf ben ik er ook niet zeker van. Bovendien heeft mijn vriend nog maar een paar maanden een vast contract, en dat is toch de eerste voorwaarde voor een huwelijk. Of niet?’

Japan is uniek, laat mij het u verzekeren. Kijk naar de boeddistische tempels, met hun lange hagen van kleine stenen beeldjes. Ze dragen gehaakte rooie mutsen en klemmen windspeeltjes in hun handen. Mizuko worden ze genoemd, ‘waterkinderen’, die stierven voor ze ter wereld kwamen.

Als ik door de tuin van de Zojoji-tempel in Tokio loop, stel ik me de bijna-moeders voor die hen hier kwamen aankleden, daarmee een laatste eer betuigend aan hun miskramen, doodgeborenen en geaborteerden foetussen.

‘In dit land’, zo meent feministe Ueno. ‘wordt niet minder dan een kwart van alle zonen en dochters buiten het huwelijksbed verwekt. De vraag is dan simpel: wordt het een shotgun marriage of een mizuko?’

Is meer dan een vijfde van alle kinderen in Europa buitenechtelijk, in Japan gaat het om niet meer dan 2 procent. Ouders, dokters, zelf vrienden en vriendinnen proberen de zwangere single ervan te overtuigen dat ze geen keuze heeft. De druk om in te stemmen met een abortus is gigantisch. Je moet het voor het kind doen, zeggen ze, je weet toch wat voor leven het straks krijgt?

20/08/2016
by Catherine Vuylsteke
Reacties staat uit voor Chinees succes, made in Ethiopia

Chinees succes, made in Ethiopia

Tienduizenden Chinezen verkasten in de voorbije jaren naar de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. Het zijn vogels van alle pluimage. Van goed betaalde boerendochters over bouwvakkers tot tofumakers en restauranthouders. Ze zorgen voor jobs, wegen, telecomnetwerken en moestuinen vol waterspinazie. ‘De China zijn synoniem voor snelheid en efficiëntie, dat zal niemand betwisten’.

Ethiopië is meer mythe dan concrete natie. Hier is de laatste rustplaats van onze voorouder Lucy, van de Ark van het Verbond en van de Rastafari-held Haile Selassie. Nieuwjaar valt op 1 september, jaren tellen 13 maanden en met middernacht wordt zes uur ’s ochtends bedoeld. Zelfs in 2016 is dat zo, of beter, in het Ethiopische 2008.

’s Lands 100 miljoen burgers beroemen er zich op dat hun voorvaderen nooit werden gekoloniseerd. De Italianen beten eind negentiende eeuw voor het eerst in het zand en een halve eeuw later hield Mussolini amper zes jaar stand – al is pasta sindsdien haast overal te krijgen.

De mythes over Ethiopië gaan alle kanten op, en de hardnekkigste is die van de honger. Toen Haile Selassie in 1974 werd onttroond door een regime dat niet onderdeed voor dat van Pol Pot, werd de leeuw van Judah overmeesterd door uitgemergelde kinderen.

Eén miljoen doden later kwam het Ethiopisch Volksrevolutionair Democratisch Front (EPRDF) in 1991 aan de macht. De neo-marxistische Meles Zenawi beloofde democratie en vervolgens ging het beter maar niet echt goed. Ethiopië raakte Eritrea en zijn toegang tot de zee kwijt, de economie sputterde en binnen de partijtop waren de messen getrokken.

In 2005 gooide Zenawi gooide het met de lancering van Tehadiso over een andere boeg. Voortaan zouden private ondernemers de motor van de economische groei zijn en werd de deur opengezet voor Turkije, India en vooral China.

Dat werd een vruchtbaar huwelijk. In het afgelopen decennium werd een jaarlijkse economische groei van tien procent gehaald en het aantal armen daalde van de helft tot eenderde van de bevolking. Gezondheidszorg en onderwijs werden spectaculair uitgebreid, waardoor de modale burger nu 13 jaar langer leeft dan in 1990.

Addis veranderde in een werf. Armoedige laagbouwwijken maakten plaats voor condominiums en wegverbredingen. Chinese staatsbedrijven legden met Chinese leningen een ring rond de stad aan, alsook een 85 km lange tolsnelweg naar Adama. De internationale luchthaven werd uitgebreid en sinds september 2015 bedient de lightrail -de eerste metro van Oost-Afrika- op twee lijnen maar liefst 39 stations.

Ook de rest van het land wordt met Chinese hulp vlijtig de moderniteit ingehesen. Er kwamen wegen, spoorlijnen, telecomnetwerken en een trits (omstreden) dammen. ‘Het ziet er naar uit dat Zenawi de code van het Oost-Aziatische succes heeft weten te kraken en die als Ethiopische hardware heeft gedownload’, zo schreef zelfs een oppositiejournalist in 2011.

Paardenrace

Het is zondagmiddag en tientallen mannen kijken in een volkscafe in Addis naar de heruitzending van een internationale voetbalmatch. Shenenew (38) zit met zijn rug naar het scherm en drinkt bedachtzaam zijn flesje Habesha-bier leeg.

Vanaf 2009 werkte hij zes jaar lang als assistent-metselaar, ondermeer aan de weg naar het noordelijke stadsdistrict Gulele. Zes dagen per week was hij van ’s ochtends tot ’s avonds in de weer, op het einde verdiende hij iets meer dan 100 euro per maand. ‘Ze betalen stipt en werken zelf erg hard, dat moet ik die China nageven. Maar ik voelde me het gros van de tijd als een paard in een race. Ik wed dat de China-voormannen persoonlijk werden afgerekend op de vooruitgang die ze boekten. Maar goed, hun loon was een veelvoud van het onze’.

In totaal hielp Shenenew 125 km weg aanleggen en het gros van de tijd woonde hij in een bouwkamp. ‘Op sommige avonden werd het knap vervelend, vooral als de China hadden gedronken. Ze zijn gek op kaarten, zie je, en spelen altijd voor geld. Op een keer haalden ze me om een uur of twee uit bed. De elektriciteit was uitgevallen en ze hadden iemand nodig om het spel bij te lichten met een zaklamp. Urenlang heb ik daar gezeten, het werd al licht tegen de tijd dat ik opnieuw naar bed kon.

‘Ach, ik wil niet ontkennen dat ik veel heb geleerd, bovendien was dat de eerste vaste baan in mijn leven. Maar wat stak was hun arrogantie. Op een avond geboden ze een van de Ethiopische arbeiders zelfs om het voorwerp te zijn van een spelletje darts. De man werd onder grote hilariteit bekogeld met sigarettenpeuken’.

Ondertussen heeft Shenenew een nieuwe baan, bij een Ethiopische aannemer. ‘Het loon is vergelijkbaar maar het tempo ligt lager. En ik versta nu tenminste wat er wordt gezegd. Maar weet je wat me het meest opviel? Dat het zo makkelijk was om deze job te krijgen. Zodra ik over die zes jaar bij de China begon, was ik aangenomen’.

Michael (45) knikt en laat een nieuwe lading pilsjes aanrukken. ‘China zijn synoniem voor snelheid en efficiëntie, dat zal niemand betwisten’, weet hij. ‘Duurde het vroeger een eeuwigheid voor een halve km weg klaar was, dan gebeurt dat nu, met Chinese hulp, in een handomdraai’.

Michael is zijn hele volwassen leven al chauffeur bij een limousineservice. ‘Ik heb veel belangrijke mensen in mijn wagen gehad. Belangrijke ferengi’s (blanken), ambassadeurs bij de Afrikaanse Unie, gouverneurs, ministers. Zelfs Khadafi is met me meegereden’.

Van 2005 tot 2007 en tussen 2011en 2013 werkte Michael voor verschillende Chinese CEO’s. ‘Overdag gebeurden de werfcontroles en ’s avonds gingen die lui uit drinken. Niet zelden kwamen ze ladderzat terug. Ach, het zijn merkwaardige schepsels. Ze eten varkens, honden en vogels, denken dat iedereen Chinees verstaat en doen voor de rest alsof je lucht bent. Geen enkele keer werd ik voor een biertje uitgenodigd, laat staan dat ze tijdens die lange uren van wachten dachten aan eten voor me. Zelfs de prostituees waren niet over hen te spreken. Als ik hen ’s ochtends naar huis bracht, vloekten ze. Doorgaans was mijn fooi erg mager’.

Militaire dril

Maandagochtend. Na anderhalf uur laveren tussen bedelaars (‘onebirr, onebirr’), straathonden, blauw-witte vintage taxi’s, glimmende SUV’s en Chinese minibusjes, bereiken we eindelijk de snelweg naar Adama. Addis kan nog tien lightrail-lijnen gebruiken, zoveel is zeker.

Onze chauffeur grijnst breed als hij voorbij de tolpoort het gaspedaal kan indrukken. Splinternieuw asfalt, zes heerlijke baanvakken breed en weinig verkeer.

Na een klein half uur neemt hij de afrit naar Dukem, een slaperig stadje met een gigantisch industriepark. Het Chinese bedrijf Huajian International heeft hier sinds januari 2012 twee productielijnen voor schoenen. Werkten er eerst 600 mensen, onderhand zijn het er bijna zes keer zoveel, goed voor een jaarlijkse export van meer dan 2 miljoen paar muiltjes, sneakers en sandalen.

We ontmoeten Yohannes (32) in het café voor het aftandse Rode Heuvel Hotel, op een km afstand van de fabriek. Alleen omdat we vrienden van vrienden zijn, heeft hij ingestemd met dit gesprek.

‘Ik wil geen risico’s nemen, het was best moeilijk om deze baan te vinden’, zegt hij zacht. Zeker voor een oppositie-activist als hij, die na de frauduleuze parlementsverkiezingen van 2005 het land moest ontvluchten. Drie jaar lang was hij zich in Kenya loslopend wild, ten prooi aan de legendarische hebzucht van de politie.

In de eerste jaren na zijn terugkeer kwam Yohannes als dagloner aan de kost. Nu heeft hij hier een vaste job, achter een machine die patronen in het leer knipt. ‘Lastig is het niet, maar je moet er wel je hoofd bijhouden. Wie een lap leer verprutst, ziet dat aan het einde van de dag van zijn loon afgetrokken’.

Yohannes klaagt niet over de Chinese ploegbazen en ook de obligate ochtendlijke militaire dril is geen punt. ‘Zo gaat dat nu eenmaal: de werknemers moeten eerst een liedje zingen, zelfs in een taal die ze niet begrijpen. Op de China heeft dat een motiverend effect, zij werken alsof hun leven ervan afhangt’.

‘Ons probleem is dat het loon te laag is. Maand na maand is het schrapen om rond te komen. Ik heb een zieke moeder en een kind te onderhouden. Dat lukt alleen door veel overuren te maken’.

De maandwedde bij Huajian bedraagt 35 à 50 euro, zowat de helft van wat een werknemer in Bangladesh verdient en minder dan een tiende van een Chinees salaris. Het bedrijf is eigendom van Zhang Huarong, een gewezen militair die sinds 1984 schoenen maakt in de Zuid-Chinese Speciale Economische Zone van Dongguan. 25.000 mensen werken daar, maar dat aantal zal de komende jaren wellicht slinken.

Volgens Justin Yifu Lin, de gewezen hoofdeconoom van de Wereldbank, zullen in het volgende decennium 80 miljoen Chinese banen verdwijnen door delokalisatie en het is naar oorden als Dukem dat de ondernemers uitwijken. Immers, Ethiopië heeft behalve lage lonen ook politieke stabiliteit, een gigantische beroepsbevolking en gunstige exportvoorwaarden naar zowel de EU (Everything but Arms), als de VS (African Growth and Opportunity Act).

Als we onderzoeker Dawit Alemu mogen geloven, dan is het de Chinese ondernemers vooral om dat laatste te doen. ‘Vijf jaar geleden had men het over de vele honderden bedrijven die zich hier zouden vestigen’, zegt hij een paar dagen later. ‘Ik heb ze nog niet gezien. Om goede redenen: de energiebevoorrading hapert, de Ethiopische arbeiders zijn laag geschoold en transport is door de meer dan 600 km lange afstand naar de exporthaven van Djibouti peperduur.

‘Wie garandeert dat nu niet hetzelfde gebeurt als in 2007 met Nazareth Garment Share Company, een van de grootste semi-staatsbedrijven van Ethiopië? Teneinde de productiviteit en efficiëntie te verhogen, haalde de firma een stel Chinese managers in huis. Korte tijd nadien werden de kledingetiketten van de firma aangetroffen op Chinese exportwaren voor de westerse markt, kwestie van te profiteren van de voordelige Ethiopische uitvoercondities’.

Boerenvreugde

De weg van Dukem naar de vulkanische meren in Debre Zeyit voert langs het Chinees restaurant ‘Boerenvreugde’. Het is al bij tweeën en er zijn geen andere klanten. Uitbaatster Wei Bao (52) prijst de roodgebakken tilapia aan, en de blokjes kippenborst met paprika en pinda’s. Onze Ethiopische tolk schrikt van de prijzen op de menukaart. ‘Vijf keer zo duur als Ethiopisch eten’, mompelt hij.

Wei, die uit een dorp in de Zuid-Chinese provincie Fujian komt, benadrukt dat ze alles zelf kweekt en troont me mee naar de moestuin achter het restaurant. ‘We moesten wel zelf aan de slag gaan. In dit land is geen wintermeloen, paksoi of waterspinazie te vinden. En je weet hoe we over vis denken’, lacht ze, terwijl ze naar de vijver gebaart. ‘Die smaakt het best als hij net is gevangen’.

Midden 2015 is Wei voor de tweede keer in Ethiopië aangekomen, acht jaar nadat ze hier al enige maanden doorbracht. ‘Ik kon toen niet aarden, er was ongeveer niets te krijgen en op straat werd je aangestaard.

‘Het is ongelofelijk hoeveel er is veranderd. Nu doet Ethiopië me denken aan het China van de jaren tachtig, net na de lancering van de opendeurpolitiek. De kansen liggen voor het rapen’.

Haar man is hier al tien jaar en wil niet terug. Eerst werkte hij voor een Chinees staatsbedrijf, nu doet hij zaken. ‘De Chinese drukte en de genadeloze concurrentie hoeven voor hem niet meer’.

‘Of ik hier voorgoed wil blijven, weet ik nog niet. Maar het klimaat is heerlijk, er komen steeds meer klanten en de Ethiopische keukenhulpen en kelners werken behoorlijk. De slimsten van kennen de Chinese namen van de gerechten al uit hun hoofd’.

Feniksman

La Terace, een hip cafe in de sjieke Bole-wijk van Addis. Wu Changsheng (32) stopt zijn iphone 6 weg en glimlacht welwillend. Hij komt uit een dorp in Subei, het achtergebleven noorden van de rijke Chinese provincie Jiangsu. Dat hij hier is, komt door zijn vader. Die werkte tien jaar lang als rurale migrant in Shanghai. Eerst om de boetes te betalen (het gezin heeft twee kinderen teveel), dan om de universitaire studies te bekostigen van zijn eerstgeborene.

Wu is een feniks, een spreeuw die op een hogere tak ging zitten. Jaar na jaar slokte zijn inschrijvingsgeld het gros van het gezinsinkomen op. Maar het betrof een weloverwogen investering, zoiets als een familiaal toegangskaartje tot de stad. Immers, alleen door zijn universitair diploma kon het gezin zich voorgoed ontdoen van zijn rurale hukou (administratieve status).

De voorbije zes jaar werkte Wu als programmeur voor de private Telecomgigant ZTE in Ethiopië. ‘Hierheen komen was de beste beslissing van mijn leven. De enige die ik mis, zijn mijn vrouw en veertien maanden oude dochter. En ook dat valt mee. Via de Chinese variant van Skype hebben we dagelijks contact en twee keer per jaar kan ik voor veertien dagen naar ze toe, op kosten van het bedrijf. Mijn vrouw zou ook hier kunnen werken, maar ik wil haar niet verplichten om haar job op te geven. Ze heeft het in China erg naar haar zin. Beroepshalve reist ze het hele land af, terwijl mijn ouders voor onze dochter zorgen’.

Wu verdient maandelijks omgerekend 3.000 euro en kan het gros daarvan sparen. Hij woont met een paar collega’s in een door ZTE voorzien appartement, luncht in de bedrijfskantine en brengt zijn avonden door met cafébezoek en kaarten. Tijdens het weekend gaan hij en zijn vrienden de stad uit.

‘Ik heb lang getwijfeld over deze baan: je weet immers niet wat je te wachten staat. Het Afrika van de televisie is er een van droogte, opwaaiend stof en in lompen gehulde mensen. Maar het salaris gaf de doorslag’.

Door een driejarig uitzendcontract te ondertekenen, kon Wu’s vader met pensioen. De hele familie verhuisde naar een appartement in Nanjing, dat hij met het eerste jaar loon heeft gekocht. ‘Een kwestie van xiao, de voor Chinezen zo belangrijke kinderlijke piëteit’.

Hoe lang hij nog zal blijven, weet Wu niet. ‘Ik geniet van elke dag. Het punt is dat ik niet langer dan tien jaar van de Chinese arbeidsmarkt mag wegblijven. Wie niet tijdig terugkeert, vindt geen goede baan meer. De concurrentie is keihard en ervaring in Afrika beschouwen werkgevers niet als een meerwaarde. Ze betwijfelen of je het jachtige Chinese leven nog wel aankan’.

Wu’s mooie, hippe collega Grace Gao (27), pr-directeur bij EZT, haalt haar schouders op. ‘Mijn man en ik zijn er nog niet uit’, zegt ze lachend. ‘Misschien keren we terug naar China als we kinderen hebben. Je kan daar immers niet halverwege in het onderwijssysteem stappen. Maar voorlopig is dit mijn paradijs’.

Ook Gao komt van het Chinese platteland maar haar ouders behoren niet tot China’s 260 miljoen rurale migranten die in stad bitter gingen eten om hun familieleden een beter leven te geven. Dat zij toch naar de universiteit kon, is aan haar uitzonderlijke intelligentie toe te schrijven. Gao kreeg een van de zeldzame staatsbeurzen voor rurale bollebozen en ging Frans studeren in Xi’an. ‘Daar zat toekomst in, zeiden ze, vooral nu zoveel Chinese staatsbedrijven in Afrika investeren. Die kennis is hier uiteraard niet van pas gekomen, maar ondertussen heb ik Engels geleerd’.

Gao kwam hier als 23-jarige single aan. ‘Een goede zet’, zegt ze zelf. ‘Het gros van de collega’s zijn ongehuwde mannen, een groot reservoir dus om een geschikte echtgenoot in te vinden’. Dat is inmiddels gebeurd. Na een maand of twee werd ze verliefd op een programmeur, met wie ze vorig jaar trouwde.

Is het toeval dat zowel de Chinese restauranthouders als de werknemers van grote bedrijven hoofdzakelijk van het platteland komen? Gao en Wu lachen ongemakkelijk. ‘Wellicht is het voor ons makkelijker’, antwoordt zij uiteindelijk. ‘We zijn minder veeleisend dan stedelingen en we herkennen veel dingen. Ik zeg het vaak tegen mijn moeder: dit is een Afrikaanse versie van onze district-hoofdplaats vroeger. Compleet met bouwwerven, onverharde wegen en tal van nieuwe winkels, cafés en restaurants. Of de rest van het Ethiopische verhaal analoog zal zijn aan het Chinese, valt evenwel nog te bezien. Er zal nog veel buitenlandse hulp nodig zijn, alleen redt Ethiopië het niet’.

Contractbruiden

De eerste aanblik van Rwanda Market is die van een doordeweekse Afrikaanse markt: goedkope Chinese import alom, en een geur van pluimvee, vermengd met die van snijbloemen en geslachte geiten. Wat opvalt zijn de Chinese klanten. Mannen met opgetrokken broekspijpen om modderspatten te vermijden, vrouwen met een blik op oneindig en een zakdoek voor de mond.

Voor de aanschaf van tofu zijn ze alvast te laat. De duizend stuks die meneer Wang meebracht, waren om iets na zeven de deur uit. ‘Zo is het bijna altijd’, lacht hij. ‘De grote bedrijven bestellen honderden blokken tegelijk voor hun kantines. Het is nog maar half twaalf en het enige dat me rest, is een diepvries vol varkensgehakt en enige jerrycans sterke drank’.

Wang is in 2013 met een tofumachine hierheen gekomen, na meer dan tien jaar zaken doen in Dubai. ‘Ik heb er spijt van en wil terug naar de Golf. Daar zijn veel meer mogelijkheden. Het enige wat hier deugt, is het weer. Geld valt er nauwelijks te verdienen en bovendien duurt het een eeuwigheid voor je aan de slag kan’.

Dat laatste is ook onder Ethiopiërs een veel gehoorde klacht. De bureaucratie is traag, de regelgeving ondoorgrondelijk en de jongste jaren neemt de corruptie een hoge vlucht. Maar wat meneer Wang vooral dwarszit, is dat ferengi’s en China niet actief mogen zijn in de detailhandel.

De overheid wil daarmee de eigen middenklasse beschermen en oneerlijke concurrentie vermijden. Maar waarom zijn er dan toch tal van Chinese mini-supermarkten en verkopers als Wang? ‘Dat zijn officieel allemaal Ethiopische bedrijfjes’, zegt onderzoeker Dawit Alemu. ‘De Chinese ondernemers omzeilen het exploitatieverbod door beroep te doen op een delala, een traditionele bemiddelaar. Concentreerde zo’n man zich vroeger op het vinden van verkopers en klanten bij de interregionale graanverkoop, onderhand kan hij àlles versieren. Van huishoudpersoneel voor ferengi’s over prostituees voor Golf-Arabieren tot (veelal rurale) contractbruiden voor China.

‘Concreet komt het hierop neer: de Chinese ondernemer trouwt met een jonge Ethiopische, met een huwelijkscontract dat haar een maandelijkse toelage van zo’n 1000 Birr (40 euro) verzekert maar verdere aanspraak op zijn centen of eigendommen uitsluit. En vervolgens wordt op haar naam een zakenlicentie aangevraagd.

‘Schijnhuwelijken kan je dat niet noemen. De meeste stellen wonen echt samen, al hebben de mannen vaak ook nog een gezin in China. Maar schijnbaar is dat geen punt. Velen hebben al kinderen, zoals je ziet is het China-gen hier voorgoed (lacht)’.

20/08/2016
by Catherine Vuylsteke
Reacties staat uit voor Roodkapjes flirten met de boze wolf

Roodkapjes flirten met de boze wolf

196 voorstellingen van ‘Sens dessus dessous’, 120.000 km, 12 landen, tal van prijzen. Nu staan bezielers Arne Sabbe (26) en Simon Bruyninckx (26) voor de avant-première van hun tweede circusproject, ‘Forever, happily’. ‘Lossen we de hoge verwachtingen wel in?’

Sinds midden juni zijn de 10 caravans van het Belgisch-Frans-Britse circusgezelschap geparkeerd rond een donkerrode, via crowdfunding bekostigde circustent in Marke, waar straks Festival PERPLX plaatsvindt. We drinken samen koffie op een druilerige lenteochtend, hun eerste vrije dag in zes weken tijd, na werkdagen van acht uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. ‘We schaven de voorstelling nog steeds bij’, lacht Arne.

In de voorbije maanden hebben de vijf mannen en twee vrouwen van Collectif Malunés in het zuiden van Frankrijk gewerkt aan een herinterpretatie van de sprookjes van Andersen, Perault en de Gebroeders Grimm. Het resultaat, zo lees ik in het festivalboekje, ‘is een grappige en intieme voorstelling vol acrobatie en muziek, waarin roodkapjes flirten met de boze wolf’.

‘Dat beeld van domme, passieve vrouwen, die wachten tot mannen hen komen redden, bevalt ons niet. Uit de bekende verhaallijnen creëerden we een zoektocht naar onszelf. Vrijheid en gelijkheid via de hyperbool van de overdrijving’.

Les Malins

Arne komt uit een West-Vlaams gymnastengezin dat geluk definieerde als collectieve conditietraining. ‘Mijn circus begon met acrobatie in de bomen van de tuin en op mijn twaalfde was ik dolblij dat ik naar de Brugse circusschool Woesh kon. Alleen was jongleren en kunstjes op de eenwieler niet helemaal mijn ding, waardoor ik na een paar jaar afhaakte’.

Zijn leraren hadden Arne’s talent wel degelijk opgemerkt, en voor de jongerenstages aan de internationaal gerenommeerde Brusselse circusschool ESAC dachten ze aan hem. ‘Zestien was ik, en ik kon mijn geluk niet op’.

Het is tijdens die stages dat Arne Simon leert kennen, een jongen uit Mechelen die al sinds zijn achtste voorstellingen maakte in de garage van het ouderlijke huis. ‘Mijn vader’, vertelt Simon, ‘was een echte klusser. Voor mijn broer Vincent en ik maakte hij stelten en installeerde hij een trapeze in de garage. We konden koorddansen in de tuin en voor onze eerste communie werden we bedacht met een eenwieler’.

De broers Bruyninckx wisten hun moeder te overhalen om hen naar het Leuvense Cirkus in Beweging te brengen, aanvankelijk één maar al gauw drie keer per week. Dat er later in Mechelen ook een circusschool kwam, zal malief vast hebben geapprecieerd. Maar tegen die tijd had ze de handen vol met de haast wekelijkse voorstellingen van haar twee zonen. ‘Als ‘Les Malins’ luisterden we communiefeesten en verjaardagen op met onze show van ongeveer een half uur. We kregen 100 euro per voorstelling, centen die grotendeels werden geïnvesteerd in nieuw materiaal en kostuums’.

Als het aan hun ouders had gelegen, ware Arne en Simon respectievelijk chemicus en architect geworden, maar na hun stages in Brussel wisten ze dat ze hun leven in het circus wilden doorbrengen. Als duo zelfs, op de evenwichtsplank en bij partneracrobatiek.

Maar aanvankelijk zat het niet mee. Geen van beiden slaagde voor de auditie in ESAC, waarbij 15 leerlingen worden geselecteerd uit 300 gegadigden, afkomstig uit de hele wereld. ‘Twee weken was ik er kapot van’, zegt Simon. ‘Ik was zo overtuigd van mijn slaagkansen, dat ik me niet eens bij een andere instelling had aangemeld. Heeft dat met zelfoverschatting te maken? Ach, de scholen in België zijn zo klein dat je makkelijk bij de beste bent’.

De twee jongens opteerden dan maar voor de pas opgerichte Tilburgse circusacademie, ‘om te tonen dat wie ons afwees, ongelijk had’, meent Simon. ‘En kijk, na twee jaar konden we naar een van de allerbeste scholen, in het Franse Châlons-en-Champagne. Dat was als aankomen in de hemel. Van een onverwarmde, roze tent vol gaten verkasten we naar een stenen circusgebouw, waar de fine fleur van de hele wereld lesgeeft’.

‘Dat een ommetje nodig was, is best te begrijpen’, vindt Arne. In onze jeugd beschikten we niet over de vooropleiding die het gros van onze concurrenten in het buitenland hadden genoten’.

De Tilburgse school was die van de afvallers, maar de jongens hebben er geen spijt van. ‘Het is daar dat we Juliette leerden kennen en samen ‘Sens Dessus Dessous’ maakten, waar we jarenlang mee zouden toeren. ‘Juliette leerde ons dat circus vrijblijvend vermaak noch een optelsom van kunstjes is. Het gaat om sfeer, de emoties die je veroorzaakt, de boodschap die overbrengt. ‘Wat wil je met die salto uitdrukken’, is een typische vraag die zij vanuit haar Franse circusachtergrond stelde. En daar konden we wat mee’.

Beurtrol

Simon, Arne en de acht anderen beschouwen zichzelf als een collectief in de eerste betekenis van het woord. Arne: ‘Anderhalf jaar al wonen we in onze caravans rond de tent. Samen werken, democratisch beslissen, collectief koken en een beurtrol voor de klussen. Voor ons is die samenwerking een waarheid. Collectief komen we veel verder. Genereert dat spanningen? Absoluut, maar ook daar leren we uit. Voorlopig is dit onze geprefereerde samenlevingsvorm. Vraag het ons over vijf jaar nog ‘s.(lacht).

20/08/2016
by Catherine Vuylsteke
Reacties staat uit voor De mechanische verbinding tussen seks en huwelijk

De mechanische verbinding tussen seks en huwelijk

Het drama van Orlando gaat niet alleen om homofobie, maar ook om de veel grotere strijd voor seksuele vrijheid.

Was Omar Mateen een IS-epigoon, een agressieveling die zijn eigen (homo)seksuele geaardheid niet kon accepteren of zomaar een gek die al te makkelijk aan oorlogswapens kwam? Het politiewerk moet het uitwijzen. Vast staat voorlopig alleen dat de holebi-gemeenschap zich afvraagt of het jachtseizoen opnieuw is geopend.

Dat heeft te maken met het drama in discotheek Pulse, maar wortelt evengoed in verontrustende statistieken. Een recente peiling voor Channel 4 geeft aan dat de helft van de Britse moslims homoseksualiteit verboden wil zien en wereldwijd meent meer dan 79 procent van alle moslims dat homoseksueel gedrag laakbaar is, zo blijkt uit onderzoek van het Amerikaanse Pew Research Center.

Uiteraard is homofobie geen exclusief islamitisch verschijnsel. Kijk naar de officiële standpunten van het gros van de christelijke kerken en naar de mening van de modale VS-inwoner. 41 procent had in 2013 ‘negatieve gevoelens’ jegens holebi’s – terwijl moslims maar 1 procent van de bevolking uitmaken.

Maar door ons louter te concentreren op homohaat schieten we weinig op. Het fenomeen maakt immers deel uit van de veel grotere strijd voor seksuele vrijheid en gelijke rechten, die nog niet is gewonnen.

Dat laatste viel me dit voorjaar nog op, tijdens een debat met achttienjarige, autochtone Brusselse studenten. Was er een verschil in sociale status, wilde ik weten, tussen een promiscue man en een promiscue vrouw? Natuurlijk, zeiden ze. De een is een succesvolle womanizer, de ander een slet.

Stoutmoedigheid

Toen ik werkte aan mijn boek ‘Onder Mannen, het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s’, argumenteerde socioloog Abdessamad Dialmy dat intolerantie jegens holebi’s kadert in een algemeen klimaat van seksuele onvrijheid. Hij verwees naar de wetsartikelen 489, 490 en 491 uit het Marokkaanse strafrecht, die zowel voorhuwelijkse als buitenechtelijke seksuele betrekkingen strafbaar maken.

Nieuw is die vaststelling niet. In zijn in 1996 verschenen, ophefmakende boek ‘L’amour circoncis’ schreef de Marokkaanse psychologieprofessor Abdelhak Serhane dat ‘het seksuele taboe het allergrootste is’ en twintig jaar na datum is hij niet milder. Vorige zomer sprak hij opnieuw zijn ongerustheid uit over de sociale regressie in zijn geboorteland. In ‘Ze willen dat we als doden leven’ stelt hij dat de islamistische staat haar burgers opsluit in onwetendheid, hypocrisie en kwade trouw. ‘En als de leiders klaar zijn met de laatste demonstrant, de laatste intellectueel, de laatste dichter (..) de laatste homoseksueel, de laatste vrouw in een jurk, de laatste kus, de laatste bikini, de laatste druppel wijn en het laatste teken van intelligentie of competentie, zullen ze zelf uitdrogen en omvallen als dode boomstammen’.

Een en ander impliceert dat er geen verschil bestaat tussen de overspelige, de homo, het ongehuwde meisje dat haar maagdelijkheid verloor en de pedofiel. Buiten de kuisheid en de huwelijkse seks is er simpelweg geen moraal. En dat maakt bijvoorbeeld ook, zo stellen aidswerkers in Casablanca vast, dat de seropositieve geen moeite zal doen om geen andere mensen te besmetten. Hem of haar wacht toch al de hel.

Religieuze vrijheid

Van dat keurslijf van onvrijheid valt niet makkelijk af te komen, maar misschien kan de geschiedenis hulp bieden. In ‘The Origins of Sex’ legt de Britse historicus Faramerz Dabhoiwala uit dat seksuele discipline ook in het Westen lange tijd de hoeksteen was van de sociale orde. Immers, volgens het patriarchale principe is elke vrouw de eigendom van haar vader of echtgenoot. De buitenechtelijke liefde met haar bedrijven is een soort van diefstal en een belediging voor haar verwanten.

Dat dat veranderde kwam volgens Dabhoiwala niet alleen door urbanisering en demografische druk maar vooral door de invoering van de religieuze vrijheid. ‘Het is de Act of Toleration (1689)’, schrijft hij, ‘die de theoretische basis verwoestte van de seksuele discipline’. Religieuze tolerantie zwengelde immers een debat aan over de exacte grenzen tussen het publieke en het private. Als mensen de vrije wil hebben om te beslissen over zaken van God, waarom zouden ze die dan niet mogen aanwenden voor trivialer kwesties als die van het vlees?

Seksuele vrijheid stoelt bovenal op religieuze vrijheid. De mens moet centraal staan, elke mens, en overal. We moeten blijven strijden voor het fundamentele recht om te zijn wie je bent. Voor de slachtoffers in Orlando, maar evengoed voor mannen zoals de gegeselde Saoedische blogger Raif Badawi en voor de vele vrouwen die hetzelfde lot kennen als de Pakistaanse Zeenat Rafiq. Wellicht hoorde u het niet, maar deze jonge lerares werd vorige week door haar ouders in brand gestoken omdat ze was getrouwd met de man van haar keuze. Omdat ze, zoals de meesten onder ons toch, gewoon vrij wou zijn.

20/08/2016
by Catherine Vuylsteke
Reacties staat uit voor ‘De gebochelde leert met zijn ongemak te leven’

‘De gebochelde leert met zijn ongemak te leven’

De grootste feminist van Somalië is een man. Een banneling ook, die veertig jaar geleden de benen moest nemen en die het nu nog geen twee maanden zou volhouden in zijn geboorteland. ‘Er zijn namelijk geen boeken’, zegt schrijver Nuruddin Farah (71). ‘Kalashnikovs zijn goedkoper dan romans’.

Onderhand heeft Nuruddin Farah langer in het buitenland vertoefd dan in de Hoorn van Afrika. Hij woonde in Chandigarh, Londen, Berlijn, Trieste, Rome en tal van Afrikaanse landen. Jaarlijks doceert hij enkele maanden aan Bard College in New York en sinds 1999 heeft hij een vaste stek in Kaapstad. Toch ademt Farah Somalië. ‘Het is mijn neurose. Ik sta er mee op en ik ga ermee slapen. Ik schrijf er over, roman na roman, twaalf stuks onderhand, een dertiende onderweg. Ik hou van Somalië omdat weinigen dat doen. Mensen lopen weg, willen van die identiteit af.

‘Ik schrijf om mijn geboorteland in leven te houden, om het een toekomst te geven en om een ander beeld neer te zetten dan wat je leest in de reportages van journalisten die drieënhalf uur ter plaatse zijn geweest en even met een taxichauffeur hebben gepraat. Ze verrichten niet eens research’.

Een flatterend portret van Somalië schetst Farah alvast niet. Het gaat van vernederingen, discriminatie en infibulatie over dictatuur tot jihadisten, piraten en mensensmokkelaars. ‘In Somalië’, zo schrijft hij in zijn jongste roman, ‘getroost de dood zich zelden de moeite van de aankondiging. Hij komt met de arrogantie van een gast die zich op elk moment van de dag verzekerd weet van een warm welkom’.

Na een jeugd in Baidoa en de Ethiopische Ogaden, vertrok u als 21-jarige naar India, niet meteen een voor de hand liggende bestemming.

‘Neen, vooral niet als je weet dat ik eigenlijk moest kiezen tussen twee studiebeurzen: een om Indiase literatuur en filosofie te studeren in Chandigarh en een andere voor literatuur en journalistiek aan een universiteit in Wisconsin. De meesten verklaarden me gek toen ik over mijn plannen voor India vertelde. De Amerikaan die me de VS-beurs aanbood, was er van overtuigd dat ik nooit iemand zou worden als ik naar India ging. Hij meende dat een echte opleiding, werkelijk leren denken, alleen mogelijk was in Het Westen. En dus werd het mijn uitdaging om te bewijzen dat hij het fout voorhad.

‘Ik ben ervan overtuigd dat India me meer is bevallen dan enig langdurig verblijf in Europa of de VS had kunnen doen. De Somali’s die naar het Westen waren vertrokken, zochten na hun terugkeer een zakdoek vooraleer ze iets aanraakten. Ze hadden het over Afrikaanse ziektekiemen en wasten hun handen nadat ze hun moeder hadden omhelsd.

‘India was voor mij de juiste keuze. Meer dan in het Westen ben ik geïnteresseerd in het slaan van bruggen tussen Azië en Afrika, twee continenten die het slachtoffer zijn geworden van kolonisatie, onderdrukking, uitbuiting en fout bestuur’.

Uw eerste roman, ‘From a crooked rib’ (1970) verscheen toen u 25 was. Was het een jeugddroom om schrijver te worden?

‘Neen, ik wist eigenlijk niet wat ik deed. In Somalië had ik nooit een schrijver ontmoet, er bestaat alleen een traditie van orale dichters. Toen mensen hoorden van mijn debuut, opperden sommigen dat ik rijp was voor een instelling, anderen hielden het erop dat ik het niet zelf had geschreven. Ze dachten dat mijn toenmalige Indiase vrouw er verantwoordelijk voor was. Zie je, wij Somali’s zijn wantrouwige lui, we geloven niet dat onze landgenoten tot iets goeds in staat zijn.

‘Overigens, ook de Britse uitgever was ervan overtuigd dat ik een vrouw was, wellicht omdat het hoofdpersonage een opstandige jonge vrouw was. Het is ook later zo gebleven, de helft van de brieven die ik ontvang, zijn aan mevrouw Farah gericht. Zolang ik getrouwd was, waren dergelijke dingen makkelijk. Ik gaf de post ongeopend aan mijn echtgenote. Nu weet ik niet wat ermee te doen’.

‘Er waren in Somalië geen schrijvers, maar wel boeken. In het Engels en in het Arabisch. Ik las veel, en dat had dan weer met mijn oudste broer te maken. Zie je, ik was een erg rusteloos kind, dat altijd kattenkwaad uithaalde. Hij loste dat op door me boeken te geven. Kon ik het verhaal reproduceren, dan zou hij kopen wat ik wilde. Een voetbal, een schrift. Het werkte, zo las ik Dostojevski, Hugo, Hemingway, de verhalen van 1001 nacht.

‘Wat me daarbij opviel was dat de personages Russische, Franse, Engelse of Arabische namen hadden, nooit Somalische. En toen nam ik me voor dat de dag zou komen waarop ook onze namen zouden geschreven worden’.

Al in uw eerste roman toonde u zich een feminist. Hoe komt dat?

‘Alvast niet omdat zulks in de mode was. Ik ben er van overtuigd dat ik veel meer succes zou hebben gehad met een mannelijk hoofdpersonage dat zich zorgen maakte over de pas verworven onafhankelijkheid van zijn land. Dat ik inzoomde op een vrouw die mannen voorhield dat ze weinig beter werd behandeld dan een stuk vee, lokte in Somalië overigens merkwaardige reacties uit. Op een dag kwam een kennis naar me toe, claimend dat ik het verhaal van haar leven had geschreven. Ze was daar absoluut van overtuigd, en wilde nu graag de helft van de royalty’s.

‘Andere vrouwen vonden dat ik me bemoeide met zaken die me niet aangingen. Verschillende keren werd me dat onder de neus gewreven. ‘In dat geval’, zei ik dan, ‘heb je volstrekt geen inzicht in de werking van je eigen maatschappij’.

‘Het is later niet anders geworden. Mij interesseren vrouwen, kinderen, de slachtoffers van de maatschappij. De reden daarvoor is heel simpel: de Somalische samenleving is er een waarin een hond niet over straat kan lopen zonder met stenen te worden bekogeld of anderszins te worden mishandeld. We zijn niet vriendelijk tegenover onze vrouwen, onze kinderen, onze dieren. In dat gebrek aan goedheid jegens de ander, ligt ook de verklaring voor de eeuwigheid van de burgeroorlog’.

U bent het altijd voor vrouwen blijven opnemen.

‘Dat komt door mijn moeder, een weinig bekende orale dichter. Ik ben er vast van overtuigd dat ze een belangrijke literaire figuur zou zijn geworden. Als ze een man was geweest, geen 11 kinderen had gebaard en niet het gros van haar wakkere uren hoefde te zorgen voor eten en het nageslacht. Eigenlijk is alles wat ik geschreven heb, een eerbetoon aan mijn moeder.

‘Bovendien ben ik me altijd erg bewust geweest van het geweld in de maatschappij, hoe mannen onbeschroomd hun vrouwen afrossen. Dat heeft me tot een theorie verleid, een verklaring voor het dictatoriale bestuur dat ons ten beurt viel. Eigenlijk begint het in de families. Als die bestuurd worden door patriarchen die iedereen aan hun wil onderwerpen, dan is de kans groot dat hetzelfde op schaalvergroting gebeurt met het land’.

U woonde in India, Groot-Brittannië, Zuid-Afrika. Maar u blijft teruggaan naar Somalië.

‘Mijn broers en zussen verklaren me gek. Het wordt nog je dood, zeggen ze dan. Maar ik moet, ik schrijf over deze mensen. Het is het enige volk dat ik ken. Ik woon nu 17 jaar in Kaapstad en nooit dacht ik eraan om er een boek aan te wijden. Er zijn genoeg Zuidafrikanen die daarover kunnen schrijven. Waarom zou het mijn verantwoordelijkheid zijn? Maar Somalië heeft niet veel schrijvers.

‘En een ander ding is: er zijn elke dag 15 uren te vullen. Wat moet je dan in godsnaam? Dat is wat ik doe: de uren doorkomen, lezen, research doen, schrijven en denken aan Somalië. Wellicht zou dat niet het geval zijn als ik daar woonde. Dan was ik vast bezig met de politieman die andermaal smeergeld eiste of de ambtenaar die moet worden omgekocht. Je denkt niet aan wat is, wel aan wat ontbreekt’.

Het Somalië dat ik ken, is gestorven, zegt u in een van uw boeken.

‘Ja. Lang geleden al, en verschillende keren. De eerste keer was in Rome, halverwege de jaren zeventig, net na de publicatie van mijn satirische tweede roman, ‘Naked Needle’. Ik belde mijn broer om te vragen of hij me de volgende dag op de luchthaven van Mogadiscio wilde ophalen. ‘Je hebt het dus niet gehoord’, antwoordde hij. ‘Je krijgt 30 jaar cel als je terugkeert’. Op dat moment stierf mijn land, het voelde als een kind dat dood in mijn buik zat.

‘Drie jaar later werd ik ter dood veroordeeld in absentia. Jarenlang werd ik wakker en ging ik slapen met de vraag of het de moeite loonde om de boeken te schrijven die ik schrijf. Ondertussen ben ik er wel uit. Het is nodig dat iemand zegt waar het op staat’.

Maar dat doet u wel in het Engels, een taal die weinig Somali’s beheersen

‘Sinds 1981 leef ik onafgebroken in Afrika. Een paar landen hebben me aan de deur gezet omdat ik geen blad voor de mond nam. Gambia bijvoorbeeld, Oeganda ook. Maar aan twee idealen ben ik trouw gebleven: aan Somalië als onderwerp en het continent als plek.

‘Het feit dat ik niet in een Afrikaanse taal schrijf, is een antropologische, sociologische kwestie. Aanvankelijk kon het niet in het Somali want er was geen schrift. En toen dat er in oktober 1972 wel kwam, schreef ik meteen een roman in mijn moedertaal. De censors hielden er niet van. En binnen de kortste keren kregen de kranten het bevel om me dood te zwijgen. Daarom schrijf ik in het Engels. Het is zoals we in het Somali zeggen: de gebochelde leert met zijn ongemak te leven’.

In 1996 ging u voor het eerst in 22 jaar terug naar Somalië.

‘Ik herkende mijn land niet meer. Veel erger dan de materiële verwoesting was de geestelijke teloorgang. Het cosmopolitische karakter dat Somalië eeuwenlang heeft gehad, was vermoord. Wat overbleef was de clanloyauteit en de duisternis der onwetendheid. Andermaal stierf mijn Somalië.

‘Ik werd in Kismayo bestolen, opgesloten in een toilet en gedurende een paar dagen gegijzeld. Ik kreeg weinig te eten, dat soort dingen. Maar in vergelijking met wat de mensen overkwam die daar al die tijd waren gebleven, was dat niet meldenswaardig.

‘Er waren ook opmerkelijke positieve momenten. Toen ik naar Mogadiscio ging, kwam ik erachter dat ik een mythisch figuur was geworden. Een ter dood veroordeelde, die was blijven schrijven. Mensen kwamen naar me toe en raakten me aan, zoals je doet met een ding dat geluk brengt. En ze zeiden: je leeft, wat een wonder’.

‘Sindsdien ben ik tal van keren teruggegaan. Maar het is geen plek meer om te blijven’.

Bent u optimistisch over de toekomst van Somalië en van de regio in het algemeen?

‘Tal van externe krachten hebben een erg negatieve invloed gehad, denk maar aan de VS-interventie in ’93. Het ergste is dat ze het werk niet afmaakten – net als in Afghanistan en Irak overigens.

Als ik nu naar Somalië kijk, vind ik dat het er beter is dan op eender welk ander moment in de voorbije twee decennia. Maar ben ik optimistisch? Nee, niet echt. Het duurt te lang vooraleer er van echte vrede sprake is. En er wordt teveel onderhandeld met de Kalashnikov in de aanslag. Daardoor zijn we ontzettend achterop geraakt’.

Wat vindt u van het Keniaanse plan om alle vluchtelingenkampen te sluiten. Daar wonen minstens 600.000 mensen, waaronder heel veel Somali’s.

‘Ach, dat hebben ze al eerder aangekondigd. Ik ben niet zeker dat het zo’n vaart zal lopen. Bovendien, jullie kunnen er alvast geen kritiek op hebben. Komt er één miljoen mensen naar Europa en meteen is het hek van de dam. Terwijl het om niet meer dan een half procent van de totale EU-bevolking gaat. gaat.

‘Die negatieve Europese reactie begrijp ik niet. Die vluchtelingen zijn een kans, een aanwinst voor het continent. De achtergeblevenen moeten zich juist zorgen maken. Immers, het zijn altijd de slimme, ondernemende, sterke, jonge mensen die vertrekken.

‘En wat ik nog veel minder begrijp is dat jullie daar zo sterk mee bezig kunnen zijn, terwijl we met veel grotere mondiale problemen kampen. De gevolgen van de klimaatsverandering bijvoorbeeld. Er wordt kostbare tijd verspild, dat weet ik wel zeker’.