Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

Citybooks / Ieper

Poste Restante

3 oktober 1914. Marsels, de stad aan het einde van zeven weken zee.

Eerst wisten we niet waar de reusachtige stoomschepen, de Castilia en de Mongara, ons heenbrachten. Sommigen zeiden dat we het Suezkanaal zouden gaan bewaken, anderen hadden het over Malta. Ik wed dat zelfs de Sahibs in India onze bestemming niet kenden.

Het bevel kwam heel plots, de helft van de officieren was nog met verlof. Wij van de Lahore Divisie vertrokken uit Karachi, de Meerut Divisie uit Bombay.

Als sepoys in het Indiaas Legerkorps zijn we gespecialiseerd in de kunst van de bajonet. Met onze Lee Enfields hebben we menige opstandige clan in het noordwesten van het land bedwongen. En ook tal van Afghaanse aanvallen werden vakkundig afgeweerd.

Het gros van ons zijn Sikhs en Punjabi moslims, maar we hebben ook Gurkha’s, Balochi’s, Dogra, Garhwalis, Jats en Pashtun in onze rangen. We behoren tot de Indiase martiale rassen, zij die niet getemd werden door het boerenleven van de laagvlakte maar in wiens bloed het vuur van de krijgskunst is blijven branden. Dat heb ik niet zelf uitgevonden, het zijn de woorden van geleerde Sahibs.

We vervoegden het Indiaas Legerkorps omdat we dringend geld nodig hadden, als tweede, derde of vierde zoon uit een boerengezin met grote schulden. Van het maandloon van 11 roepies sturen we de helft naar huis, hopend dat onze families daarmee uit de klauwen kunnen blijven van de woekeraars.

Nooit eerder stak het Indiaas Legerkorps het zwarte water over. Nu hebben de Angrez en de Francisi ons nodig om te vechten tegen de Kaiser van de Hun. Het is een barbaars volk. Zonder enige schaamte doden de Hun alle vrouwen en kinderen en hun honger naar land kent zijn weerga niet.

Heel India steunt de oorlog. Het gerucht gaat dat de vorst van Hyderabad wel 6 miljoen roepies heeft geschonken en dat die van Bagli zorgde voor sokken, hemden, tabak, chocolaatjes en sigaretten.

Ik zal de dag dat we in Marsels van boord gingen nooit vergeten. De zeemeeuwen vlogen ons tegemoet en de kanonnen van de Francisi oorlogsschepen heetten ons welkom. Op de kade stond het volk ons in dikke erehagen op te wachten. Kinderen reikten ons bloemen aan. Bleke, ongesluierde vrouwen zwaaiden met witte zakdoeken. Ze lachten naar ons alsof we verwanten waren. Viveleshindous riepen ze. Vivelangleterre. Vivelesalliés. We verstonden er geen woord van. Wah Guruji ka Khalsa schreeuwden onze Sikhs terug, terwijl de moslimcompanieën invielen met Allahu Akbar. Ik hoorde dat de kranten over onze aankomst hebben bericht en dat iedereen gelooft dat de Hun gauw zullen worden verslagen.

Marsels is een sprookjesachtig oord. Er zijn stenen gebouwen in alle kleuren en bovenop de heuvel troont een majestueuze kerk. De smalle straten nabij de kade leiden naar statige boulevards. Op de gevels staan moderne letters en elegante tekeningen, de winkels zijn wonderlijk en ’s avonds is de halve stad verlicht.

Na een eremars door de straten hebben we ons kamp opgeslagen in Parc Boorli. Je had de bomen en de bloemen moeten zien, zo fris groen en goed onderhouden. Er kwam een jonge Francisi, die schetsen van ons wilde maken. Haar moeder liep rond met een camera maar de foto’s kwamen er jammer genoeg niet uit. De beide vrouwen keken met verwondering naar de witte tulbanden boven onze Britse uniformen en wezen lachend naar de kommen dhal. De meeste sepoys voelden zich vereerd, maar een enkeling vloekte toen hun schaduw op het eten viel, en gooide zijn chapatti in de struiken.

Toen we de stad ingingen, zagen we hoe straatvegers wijn dronken met Tommies en hier en daar zette een vrouw onbeschaamd het glas aan de lippen. Hebben ze dan geen religie en weten ze niet wat onreinheid is?

10 oktober 1914. Orleans

Ik had graag langer in Marsels willen blijven, maar gisteren hebben we de trein genomen naar het noorden. Hier in Orleans krijgen we nieuwe geweren. Dat maakt ons zenuwachtig. Is er voldoende tijd om te oefenen vooraleer we de Hun te lijf moeten gaan?

Er gaan geruchten dat deze strijd anders is dan alle voorgaande. Dat er wordt gevochten met grenads en mortas, wat dat ook mogen zijn. Men zegt dat de Hun beschikken over een wapen waarmee ze zeventig mijl ver kunnen schieten. Ach, waarom dachten de Sahibs in India daar niet aan ?

Toegegeven, ze zijn in allerijl vertrokken, zelfs warme kleren hadden ze niet voorzien. Sommige regimenten lopen nog altijd te rillen en te beven in hun katoenen plunje.

Orleans is kleiner en kouder dan Marsels, maar minstens even mooi. Oudere Francisi kloppen ons op de schouders en brengen cafeolé. Overdag worden er driloefeningen gehouden en ’s avonds drinken we Cognac met joviale Francisi soldaten. Op een avond troonden ze ons mee naar het standbeeld van een dappere vrouwelijke ruiter. Jindac, zeiden ze en lachten trots.

Voor ik vertrek wil ik nog postkaarten kopen, maar ik kan er geen vinden van die mooie, fiere jonge vrouw. Ik heb nochtans in tal van winkels gezocht. Een van onze Britse officieren vertelde dat Jindac vierhonderd jaar geleden heel erg beroemd werd wegens een opmerkelijke overwinning tegen de Angrez. Ze werd toch gevangen genomen en bekocht haar heldenmoed met haar leven.

Ik denk dat er daarom geen postkaarten zijn. Men vreest dat ze de vriendschap tussen Francisi en Angrez zou vergallen. Wie wil nu herinnerd worden aan hoe een gezegend, mooi meisje levend werd verbrand?

19 oktober 1914. Ieper

We zijn verder naar het noorden gespoord. Glooiende heuvels maakten plaats voor een groene vlakte. Na enige tijd stopte de trein in een klein station. Er hing een doordringende geur van medicijnen en geronnen bloed. We wilden uitstappen maar de bevelhebbende Jemadar maande ons tot stilte, we mochten de gewonden in de wagons op het andere spoor niet storen.

Een uur later kwam onze trein weer in beweging. Toen we de zee bereikten, ging een vlaag van opwinding door de manschappen. Het schijnt dat Vilayat aan de overkant van het water ligt. Wat zouden we daar graag heen zijn gegaan, naar het land van de Angrez. Vilayat, Vilayat, onze voorouders zeiden al dat het een plek is die met robijnen is bezaaid.

De volgende keer dat we stilhielden, stond het perron vol Francisi soldaten, met achter hen sombere bejaarden, roepende kinderen en frêle vrouwen die vaarwel werden gekust. Sommigen huilden openlijk, anderen staarden bedrukt voor zich uit.

Volgens de Jemadar zijn de mensen hier heel slim. Ze laten de dieren voor zich werken. Honden leiden de kuddes en karnen de boter, paarden zijn belast met het ploegen. En ze hebben ook machines die allerlei dingen voor hen doen.

In het midden van de nacht bereikten we onze bestemming. Een gehavend station met daarachter een stukgeschoten kerktoren en een paar huizen met grote kanongaten. De hele streek leek verlaten. We laadden het materieel uit en begonnen te marcheren, terwijl in de verte geweervuur hoorbaar was.

In een klein dorp hielden we halt. Toen de orders werden gegeven, brak er paniek uit. Het 1ste Bataljon Connaught Rangers zou per bus naar Wolvaga, bij Ieper, worden gebracht, om er de Cavalerie van Generaal Allenby te vervoegen. Ook de 69ste Rifles onder Karnel Green Sahib ging naar Wolvaga, maar zij zouden de 2de Cavalerie van Generaal Gough Sahib versterken.

Ik weet dat een sepoy moet zwijgen en gehoorzamen. Hij die het zout van de Koning heeft gegeten, heeft daarmee zijn leven aan hem verpand. Maar waarom laten ze ons niet zijde aan zijde strijden? Nooit eerder werden we van elkaar gescheiden. Manhaftig schakelden we menige vijand uit. Ik heb hier een slecht gevoel bij. Wie ons uiteenrukt, overtreedt een wet van de natuur.

10 november 1914. Wijtschate

Als ratten zitten we gevangen in ondiepe grachten, vol modder en water. We hebben het voortdurend koud, alsof de zon ons definitief heeft verlaten. Zelfs met onze dekens kunnen we ons niet verwarmen. We zien er eerder als zwervers uit dan als soldaten. ’s Nachts slapen we niet en overdag hebben we het moeilijk. Er zijn slangen noch schorpioenen maar de luizen en vlooien bijten verschrikkelijk.

Het is triest dat de machtige Goden ons hiertoe veroordelen. Ze hebben de Hun onbeschrijfelijk veel kracht gegeven. Ze maakten hen tot vogels in de lucht, tot draken op de aarde en tot giftige krokodillen in de zee. Ze beschikken over oneindig meer machinegeweren dan de Angrez, die het met twee stuks per bataljon moeten doen.

’s Nachts schieten de Hun mortieren als sterren af en ze gebruiken elektrische lampen. Het is een formidabel zicht, de oorlog bij nacht. Helder licht en kogels die het bloed van helden drinken.

De wereld heeft nog nooit zo’n oorlog gezien en er komt ook geen volgende. Zoals een boer in een pruimenboom klimt en eraan schudt opdat de vruchten zouden vallen, zo vallen de mannen hier. Geen plek is onbedekt. Overal liggen lijken. We zijn verplicht om er overheen te lopen, zelfs om er bovenop te slapen.

Aanvallen betekent de vijand te lijf gaan met bajonetten en worden neergemaaid door machinegeweren. We maken onze eigen springtuigen door confituurblikjes te vullen met dynamiet. Van één compagnie bleven slechts 60 van de 140 soldaten over. Doordat een bevel tot terugtrekking niet werd ontvangen, waren er nodeloze verliezen.

Ik kan je er niet meer over schrijven, de censors lezen onze brieven, dat weet je. En wat hier gebeurt, is te groot voor woorden. Herinner je de Mahabharata, het grote conflict tussen de vijf Pandava’s en de honderd Kaurava’s. Hoe kolossaal die strijd ook is, hij kan in niets worden vergeleken met dit gevecht. Ze zeggen dat er straks in de hele wereld twee vrouwen zullen zijn voor elke man en dat geloof ik best. Dit is geen oorlog, dit is het einde van de wereld.

17 november 1914, Wijtschate.

Alleen zij die door een uitzonderlijke lotsbestemming zijn geroepen, zullen naar huis terugkeren. Sommigen zeggen dat het al te laat is, dat we in Marsels hadden moeten handelen. Naar de dokter gaan, zeggen dat we zwak waren. Het beste, menen velen, is een ziekte in het hoofd.

De verwanten van Dhannoo en Subash stuurden de gedroogde blaren van een plant op. Die moesten worden vermalen en op brandende kolen gestrooid. Daarna mag de rook zijn werk doen op dat deel van het lichaam waar je een infectie wil, maar de rest dient zorgvuldig te worden afgeschermd met kleren. Het effect zou drie dagen blijven. Hoewel we de aanwijzingen correct opvolgden, gebeurde helemaal niets. Misschien komt het door de kou.

Ze zeggen ook dat je oorsmeer in je ogen kan wrijven met een botte naald. Als God het wil, zal er je ogen niet echt iets mankeren maar ze lijken eerst erg ontstoken.

Ach, het blijft linke soep. Er was die Balochi, door de vijand geraakt aan zijn goede hand, aan de vinger waarmee hij de trekker overhaalde. Het laatste kootje was eraf. Hij hoopte dat de oorlog er voor hem opzat. Maar ze geloofden hem niet, hij kwam voor de krijgsraad en kreeg de volgende ochtend de kogel.

De Jemadar houdt ons voortdurend in de gaten. We zijn allemaal kinderen van God, zegt hij, en de dood is geen zaak van mensen. Niemand gaat voor zijn uur heeft geslagen.

Midden januari 1915, het Royal Pavillion Hospital in Brighton.

Maak je over mij geen zorgen. Ik kreeg een kogel door mijn dijbeen maar als de Goden genadig zijn, komt het goed. We zijn ondertussen in Vilayat en het hospitaal ligt aan zee, in een geweldig paleis waar de Koning vroeger zijn troon had. Men vertelt dat hij hier vorige maand op visite is geweest. Hij en de Koningin. Ze praatten met elke gewonde individueel.

De Koning heeft bevolen dat het ons aan niets mag ontbreken, we worden gekoesterd als bloemen. Blanke soldaten zitten naast ons bed – dag en nacht. Ze wassen ons met warm water en geven ons goed te eten, vier keer per dag. Er zijn negen verschillende keukens, waar geheel volgens de voorschriften wordt gekookt. Alles wordt uit India geïmporteerd: dhal, bloem, ghee en specerijen. Iedereen krijgt melk, moslims en hindoes hebben afzonderlijke waterkranen en er zijn aparte slagers voor Sikhs en moslims. Ze eten elke dag geit, daar hebben ze geen bezwaar tegen. Maar de Sikhs slachten de dieren met een houw in de nek, terwijl de moslims hen ritueel de keel oversnijden.

Soldaten die aan de beterende hand zijn, kunnen ’s middags verpozen in een armstoel in de tuin. En er zijn zelfs uitstapjes met bussen. Dan krijg je het paleis van de Koning te zien, je mag op de foto bij de Tower er gaat naar de wilde dieren in kooien, in de zoo van Londen. Iemand vertelde me ook over een museum, waar alle vissen van de wereld in dozen met water worden gehouden. Het is een fantastische plek, die miljoenen ponden moet hebben gekost.

Er zijn bovendien voortdurend bezoekers. Sommigen komen helemaal uit Londen, louter om ons een spoedig herstel te wensen. De Angrez zijn echt blij ons te zien en de woorden ‘verdomde’ en ‘stomme’, worden hier niet zo vaak gebruikt als in India. Dat geldt uiteraard alleen voor diegenen die nooit in ons land zijn geweest. Zij die er wel heengingen, knarsetanden van woede en lachen ons uit. Ik weet niet waarom de Angrez zo slecht worden eenmaal ze in India zijn.

Ram Jhandar is hier bij me. Hij maakt het goed en is vrolijk. Zeg het aan zijn familie. Een paar dagen geleden heeft hij wel zijn amulet verloren. Hij wordt sindsdien door geesten bezocht en heeft last van plotse aanvallen.

Eind februari 1915. Royal Pavillion Hospital in Brighton

Hoewel ik gewond ben geraakt, behoor ik niet tot diegenen die naar India zullen terugkeren. Dat doen alleen mensen die een been zijn verloren, een arm of een oog.

Mijn vader heeft gedaan wat in zijn vermogen lag. Hij nam de beste briefschrijver van de streek onder de arm en richtte zijn verzoek aan de Koning. ‘Mijn zoon’, zo stond er, ‘heeft zijn loyauteit meer dan bewezen. Zes of zeven keer heeft hij aan een aanval deelgenomen. Ik reken op uw eer en goedheid om hem naar huis te sturen. Als hij hersteld is, kan hij rekruten trainen of werven, als hij kan lopen tenminste. Op uitdrukkelijke vraag van zijn moeder richt ik dit verzoek tot u. Sinds ze hoorde van zijn toestand, moet ze het bed houden’.

Veel zoden bracht het niet aan de dijk. Morgen gaan we terug naar de loopgraven. De Francisi en de Angrez hebben ons nodig.

Ik probeer moed te houden maar we zijn als geiten, vastgebonden aan de paal van de slachter. Wanneer hij komt, dat weten we niet, maar er is niemand om ons los te maken. Het zou goed zijn als mijn geest mijn lichaam kon verlaten. Hoe lang, hoe lang kunnen we dit verdragen?

18 maart 1915, Neuve-Chapelle, Noord-Frankrijk

Dinesh, Hari Singh, Shiv Ram, Chaudi Lal. En ik zou nog kunnen doorgaan met het opnoemen van de doden in mijn compagnie. Zelf ben ik ongedeerd, maak je geen zorgen. De voorzieningen hier zijn uitstekend. Het eten wordt tot aan de loopgraven gebracht, grote porties en veel sigaretten.

De vijand wordt zwakker. In de gevechten van 10 tot 12 maart zijn er volgens mijn schatting 5.525 Hun krijgsgevangen gemaakt, alsook 25 machinegeweren. Ik heb ze zelf geteld. Als de Hun zijn kracht tentoon spreidt, maaien onze geweren hem neer. We twijfelen er niet aan dat de heroïek van onze Koning uiteindelijk zal worden bekroond met succes en glorie. Maar niemand kan ons vertellen hoe lang de oorlog nog zal duren. Komt wat komen moet.

12 juli 1915, Royal Pavillion Hospital in Brighton.

Sinds midden april verblijf ik weer in Vilayat. Drie schotwonden, erger dan de vorige keer. Daarom heb ik al die tijd niet geschreven.

Ik hoor dat het gerucht gaat dat ik werd gedood. Waarzeggers in heel het land beweren dat ze weten wat er op duizenden mijlen van India gebeurt. Het is bedrog en aftroggelarij.

Toen ik vertrok, gaf ik mijn vader en broer goede raad. Als ons een ramp overkomt, dan laat de bevelhebbende officier dat persoonlijk weten aan de familie. Alleen hij spreekt de waarheid. Hoe kon mijn familie luisteren naar de woorden van goddeloze mannen en nodeloos kosten maken voor mijn begrafenisritueel ? Op deze manier verslaat de vijand ons.

Het lijkt wel alsof iemand naar hen toeging en hen wijsmaakte dat een hond hun oren had afgebeten. In plaats van hun wonde te inspecteren, gingen ze de hond achterna. Als dwazen.

26 augustus 1915, Royal Pavillion Hospital in Brighton.

Gisteren was de mooiste dag van mijn leven. De Koning kwam op bezoek en hij heeft de meest eervolle van alle heldenmedailles op de borst gespeld van één van ons. Het Victoria Cross, voor feiten die zich afspeelden nabij Ieper. Ik was luttele dagen eerder gewond afgevoerd, waarvoor ik de Goden prijs.

Onze divisie, of wat daar nog van rest, kreeg op 24 april het bevel om ogenblikkelijk naar Ieper te vertrekken. Een mars van meer dan een dag vanuit Neuve Chapelle, met een zware bepakking over modderige wegen.

De soldaten waren nog maar aangekomen, of ze moesten deelnemen aan een gezamenlijke aanval. Met de Angrez uit York en Durham, de Connaught Rangers en de Francisi met hun troepen van over het water.

Ze maakten geen schijn van kans. In de eerste seconden al stierven honderden mannen. Ze vielen als vliegen, dat de Goden zoiets toelaten. En het ergste moest nog komen. Na een minuut of twintig, kwamen uit de loopgraven van de vijand een soort pijpen. Daaruit kwam een gas, dat door de noordoostenwind naar onze linies dreef.

Het was de tweede keer dat de Hun zich van van dit demonische middel bedienden. Onze soldaten wisten dat ze hun tulbanden in urine moesten drenken en voor hun mond houden. Maar of dat hielp? Zij die het overleefden, zeggen dat het erger was dan alle kwellingen die in de Ramayana worden beschreven. Het gas slaat in als de bliksem en zet je hele lijf in brand.

Jemadar Mir Dast, van de 55ste Coke’s Rifles, was een van de getroffen mannen. Een magere, geharde Pashtun met een lange staat van dienst. Hij sprak zijn troepen moed in en beloofde dat ze na donker naar de loopgraaf terug zouden gaan. Toen ze over het slagveld kropen, vonden ze tal van gewonden in het niemandsland. De Jemadar heeft hen in veiligheid gebracht. Ondanks zijn verwondingen riskeerde hij zijn leven door verschillende keren naar het slagveld terug te keren om acht Britse en Indiase officieren te redden.

Het hele ziekenhuis heeft de decoratie van de Jemadar bijgewoond. Hij zat in een rolstoel maar wilde absoluut recht staan om het kruis in ontvangst te nemen. ‘Wat heb ik gedaan?’, vroeg hij. ‘Niets, gewoon mijn plicht. En dan te denken dat de grote Koning-keizer mijn hand zou schudden en me prijzen. Ik ben zijn kind’.

Daags voordien had de Jemadar ook een telegram van de Koning ontvangen. Elk verzoek dat hij deed, zou worden ingewilligd. De Jemadar heeft geen zonen waarvoor hij een militaire rang zou kunnen vragen. En over zijn broer wou hij het vast niet hebben. Deze Mir Mast van de 58ste Frontier Force heeft de eer van het Indiaas Legerkorps bezoedeld.

In de nacht van 2 op 3 maart is hij er met een stuk of tien soldaten uit zijn geboortestreek van door gegaan. Overgelopen naar de Hun. De broer van de oorlogsheld is een verrader, het is haast niet te geloven.

Sommigen denken dat het komt door zijn geloof. De Hun spant samen met de koning van de Ottomanen, die ook kalief is van de islam. Hij roept alle moslims ter wereld op tot jihad tegen de Angrez en de Francisi. Zou het daarom zijn dat Mir Mast het ondenkbare deed? Ik weet het niet.

Er zijn er ook die beweren dat hij de Hun bewonderde om hun superieure wapens. Ik wed dat hij ondertussen zelf een Mauser heeft bemachtigd.

De Jemadar vroeg geen geen promotie voor verwanten maar dacht als een ware held aan het belang van het Indiaas Legerkorps. Hij verzocht de Koning om een man die gewond is geraakt niet opnieuw naar de loopgraven te sturen. ‘Niet alleen zal hij tot niets goeds meer in staat zijn’, zo zei hij, ‘bovendien weegt hij op het moreel van de anderen’.

Oktober 1915. Royal Pavillion Hospital, Brighton.

De dokters zeggen dat ik binnenkort naar Hindustan mag vertrekken. Ik kan niet wachten, eindelijk zal ik mijn geliefde land terugzien. Maar ik ben een andere man geworden, mijn ogen zijn open gegaan sinds ik in Europa ben.

De mensen hier leiden een makkelijk, comfortabel leven dankzij het onderwijs dat zowel mannen als vrouwen hebben genoten. Hier gaat arm en rijk, hoog en laag samen naar de kerk, er is geen onderscheid. En het allerbeste gebruik is dat een man zijn vrouw kiest en een vrouw haar echtgenoot, daardoor worden moeilijkheden vermeden.

Mijn oude opvattingen heb ik volstrekt herzien. Ik wring me in de handen van spijt omdat ik geen kennis heb vergaard. Ik heb mijn kans gemist en ben nu te oud. Als God me kinderen geeft, zal ik hun leven volgens mijn nieuwe ideeën inrichten. Ik zal hen een goede opleiding geven, ongeacht of het zonen of dochters zijn.

Toen ik in Hindustan hoorde van mensen die voor onderwijs naar Engeland vertrokken, dan zei ik bij mezelf dat deze mensen hun geloof verliezen en terugkeren als christenen. Nu ik hier ben, besef ik hoezeer ik me vergiste. Alleen onderwijs maakt wijs en leert je om schadelijke gewoontes op te geven en te leven volgens nieuwe ideeën.

In ons land heeft een vrouw niet meer waarde dan een paar schoenen. Dat is de reden waarom we ons niet kunnen meten met de andere volkeren. Onze vooruitgang ligt in de handen van onze zusters. Zolang zij niet handelen, kan India niet uit haar droom ontwaken.

Ik besef dat het moeilijk wordt. De mensen zullen me gek verklaren maar ik weet dat zij worden verblind door hun onwetendheid. En daarom kan ik hen vergeven.

Ieper. Honderd jaar na datum.

Deze stad is een neogotisch, provinciaal hart van Duister Toerisme, passend in het rijtje van Tuol Sleng, Gallipolli, Auschwitz, Waterloo, Hiroshima, Cu Chi en Ground Zero. Dag in dag uit komen meer dan 1.000 toeristen uit de hele wereld hier op bedevaart. Ze zijn doorgaans al even te spreken over het museum In Flanders Fields als over de chocolaatjes of streekbieren die ze op de Grote Markt aanschaffen en de loopgraven van de Yorkshire Trench and Dug-out.

Ieper is de begraafplaats van veel verhalen. Europeanen, Amerikanen, Afrikanen, Aziaten en lui uit Australië en Nieuw-Zeeland, ze werden hier een eeuw geleden gelijk in de dood.

Ook 1,2 miljoen Indiërs werden naar WOI gestuurd, 77.000 van hen belandden aan het Westelijk front in Europa en één op tien daarvan zou nooit meer vertrekken.

Commandant Sir James Willcocks schreef aan het einde van de oorlog dat de Indiase soldaten geen schrijvers zullen voortbrengen die de komende generaties kunnen ontroeren. Maar heeft hij hun brieven dan niet gelezen?

Verantwoording:

Poste Restante is de briefwisseling van een fictieve Indiase soldaat, in 1914-1915. Het personage is evenwel geen louter verzinsel van mijnentwege, maar juist secuur gebaseerd op historisch materiaal, teneinde een zo groot mogelijke authenticiteit te verkrijgen. Zijn stem is een distillering van ideeën, citaten en concepten uit de wetenschappelijke literatuur over die periode. Zo is ‘Er gaan geruchten dat deze strijd anders is dan alle voorgaande. Dat er wordt gevochten met grenads en mortas, wat dat ook mogen zijn. Men zegt dat de Hun beschikken over een wapen waarmee ze zeventig mijl ver kunnen schieten. Ach, waarom dachten de Sahibs in India daar niet aan ? Toegegeven, zijn in allerijl vertrokken’, een citaat uit ‘Across the black waters’, de roman die Mulk Raj Anand in 1939 schreef over het wedervaren van zijn vader in WOI. Ook de naam ‘Marsels’ voor Marseille komt uit dit boek. Tenslotte is ook de beschrijving van de aankomst in Marseille, met de begroetingen van Franse burgers en Indiase soldaten, op deze roman gebaseerd.

Het concept van de martiale rassen wordt door Heather Streets uiteengezet in ‘Martial Races: The Military, Race and Masculinity in British Imperial culture, 1857-1914’.

‘Race, Empire and First World War Writing’, van Santanu Das, gaf een breed beeld en veel details over de omstandigheden van recrutering, de ervaringen van de Indiase sepoys aan het Westelijke front, alsook de relaties met de Britse officieren.

Fundamenteel voor het verhaal was ook ‘Indian Voices of the Great War, Soldiers’ Letters, 1914-18′, samengesteld door David Omissi. Deze bundel bevat de enige, ons nagelaten correspondentie uit die tijd. Vergelijkingen tussen de oorlog en de strijd in de Mahabharata of de Ramayana komen uit dit boek, alsook bloemrijke beschrijvingen van het lijden in de loopgraven en de onafwendbaarheid van de dood (de vastgebonden geit, de pereboom waaraan wordt geschud,..). Ook de bedenkingen over de technologische superioriteit van Europa, de bewondering voor Jeanne D’Arc (Jindac) en de ervaringen in het Royal Pavillion Hospital van Brighton, waar veel van de brieven werden geschreven en de wenselijkheid van vrouwenemancipatie in India zelf wordt door veel soldaten in hun brieven huiswaarts onderschreven en zijn dus uit ‘Indian Voices’ overgenomen

Het specifieke verhaal van de broer Mir Dast en Mir Mast – de oorlogsheld en de deserteurs – steunt deels op het onderzoek dat David Olusoga deed in ‘The World’s War’, en deels op de correspondentie die David Omissi samenstelde in het eerder genoemde ‘Indian Voices of the Great War’. De daarin opgenomen brieven nrs 95, 128, 130 en 165 geven de gevoelens van eer weer van Mir Dast bij de lauwering door de koning, en van andere aanwezigen op die dag, alsook de lotgevallen van zijn broer, de deserteur. ‘Wat heb ik gedaan?’. ‘Niets, gewoon mijn plicht. En dan te denken dat de grote Koning-keizer mijn hand zou schudden en me prijzen. Ik ben zijn kind’, is een citaat, uit deze brieven.