Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

Chinees succes, made in Ethiopia

Tienduizenden Chinezen verkasten in de voorbije jaren naar de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. Het zijn vogels van alle pluimage. Van goed betaalde boerendochters over bouwvakkers tot tofumakers en restauranthouders. Ze zorgen voor jobs, wegen, telecomnetwerken en moestuinen vol waterspinazie. ‘De China zijn synoniem voor snelheid en efficiëntie, dat zal niemand betwisten’.

Ethiopië is meer mythe dan concrete natie. Hier is de laatste rustplaats van onze voorouder Lucy, van de Ark van het Verbond en van de Rastafari-held Haile Selassie. Nieuwjaar valt op 1 september, jaren tellen 13 maanden en met middernacht wordt zes uur ’s ochtends bedoeld. Zelfs in 2016 is dat zo, of beter, in het Ethiopische 2008.

’s Lands 100 miljoen burgers beroemen er zich op dat hun voorvaderen nooit werden gekoloniseerd. De Italianen beten eind negentiende eeuw voor het eerst in het zand en een halve eeuw later hield Mussolini amper zes jaar stand – al is pasta sindsdien haast overal te krijgen.

De mythes over Ethiopië gaan alle kanten op, en de hardnekkigste is die van de honger. Toen Haile Selassie in 1974 werd onttroond door een regime dat niet onderdeed voor dat van Pol Pot, werd de leeuw van Judah overmeesterd door uitgemergelde kinderen.

Eén miljoen doden later kwam het Ethiopisch Volksrevolutionair Democratisch Front (EPRDF) in 1991 aan de macht. De neo-marxistische Meles Zenawi beloofde democratie en vervolgens ging het beter maar niet echt goed. Ethiopië raakte Eritrea en zijn toegang tot de zee kwijt, de economie sputterde en binnen de partijtop waren de messen getrokken.

In 2005 gooide Zenawi gooide het met de lancering van Tehadiso over een andere boeg. Voortaan zouden private ondernemers de motor van de economische groei zijn en werd de deur opengezet voor Turkije, India en vooral China.

Dat werd een vruchtbaar huwelijk. In het afgelopen decennium werd een jaarlijkse economische groei van tien procent gehaald en het aantal armen daalde van de helft tot eenderde van de bevolking. Gezondheidszorg en onderwijs werden spectaculair uitgebreid, waardoor de modale burger nu 13 jaar langer leeft dan in 1990.

Addis veranderde in een werf. Armoedige laagbouwwijken maakten plaats voor condominiums en wegverbredingen. Chinese staatsbedrijven legden met Chinese leningen een ring rond de stad aan, alsook een 85 km lange tolsnelweg naar Adama. De internationale luchthaven werd uitgebreid en sinds september 2015 bedient de lightrail -de eerste metro van Oost-Afrika- op twee lijnen maar liefst 39 stations.

Ook de rest van het land wordt met Chinese hulp vlijtig de moderniteit ingehesen. Er kwamen wegen, spoorlijnen, telecomnetwerken en een trits (omstreden) dammen. ‘Het ziet er naar uit dat Zenawi de code van het Oost-Aziatische succes heeft weten te kraken en die als Ethiopische hardware heeft gedownload’, zo schreef zelfs een oppositiejournalist in 2011.

Paardenrace

Het is zondagmiddag en tientallen mannen kijken in een volkscafe in Addis naar de heruitzending van een internationale voetbalmatch. Shenenew (38) zit met zijn rug naar het scherm en drinkt bedachtzaam zijn flesje Habesha-bier leeg.

Vanaf 2009 werkte hij zes jaar lang als assistent-metselaar, ondermeer aan de weg naar het noordelijke stadsdistrict Gulele. Zes dagen per week was hij van ’s ochtends tot ’s avonds in de weer, op het einde verdiende hij iets meer dan 100 euro per maand. ‘Ze betalen stipt en werken zelf erg hard, dat moet ik die China nageven. Maar ik voelde me het gros van de tijd als een paard in een race. Ik wed dat de China-voormannen persoonlijk werden afgerekend op de vooruitgang die ze boekten. Maar goed, hun loon was een veelvoud van het onze’.

In totaal hielp Shenenew 125 km weg aanleggen en het gros van de tijd woonde hij in een bouwkamp. ‘Op sommige avonden werd het knap vervelend, vooral als de China hadden gedronken. Ze zijn gek op kaarten, zie je, en spelen altijd voor geld. Op een keer haalden ze me om een uur of twee uit bed. De elektriciteit was uitgevallen en ze hadden iemand nodig om het spel bij te lichten met een zaklamp. Urenlang heb ik daar gezeten, het werd al licht tegen de tijd dat ik opnieuw naar bed kon.

‘Ach, ik wil niet ontkennen dat ik veel heb geleerd, bovendien was dat de eerste vaste baan in mijn leven. Maar wat stak was hun arrogantie. Op een avond geboden ze een van de Ethiopische arbeiders zelfs om het voorwerp te zijn van een spelletje darts. De man werd onder grote hilariteit bekogeld met sigarettenpeuken’.

Ondertussen heeft Shenenew een nieuwe baan, bij een Ethiopische aannemer. ‘Het loon is vergelijkbaar maar het tempo ligt lager. En ik versta nu tenminste wat er wordt gezegd. Maar weet je wat me het meest opviel? Dat het zo makkelijk was om deze job te krijgen. Zodra ik over die zes jaar bij de China begon, was ik aangenomen’.

Michael (45) knikt en laat een nieuwe lading pilsjes aanrukken. ‘China zijn synoniem voor snelheid en efficiëntie, dat zal niemand betwisten’, weet hij. ‘Duurde het vroeger een eeuwigheid voor een halve km weg klaar was, dan gebeurt dat nu, met Chinese hulp, in een handomdraai’.

Michael is zijn hele volwassen leven al chauffeur bij een limousineservice. ‘Ik heb veel belangrijke mensen in mijn wagen gehad. Belangrijke ferengi’s (blanken), ambassadeurs bij de Afrikaanse Unie, gouverneurs, ministers. Zelfs Khadafi is met me meegereden’.

Van 2005 tot 2007 en tussen 2011en 2013 werkte Michael voor verschillende Chinese CEO’s. ‘Overdag gebeurden de werfcontroles en ’s avonds gingen die lui uit drinken. Niet zelden kwamen ze ladderzat terug. Ach, het zijn merkwaardige schepsels. Ze eten varkens, honden en vogels, denken dat iedereen Chinees verstaat en doen voor de rest alsof je lucht bent. Geen enkele keer werd ik voor een biertje uitgenodigd, laat staan dat ze tijdens die lange uren van wachten dachten aan eten voor me. Zelfs de prostituees waren niet over hen te spreken. Als ik hen ’s ochtends naar huis bracht, vloekten ze. Doorgaans was mijn fooi erg mager’.

Militaire dril

Maandagochtend. Na anderhalf uur laveren tussen bedelaars (‘onebirr, onebirr’), straathonden, blauw-witte vintage taxi’s, glimmende SUV’s en Chinese minibusjes, bereiken we eindelijk de snelweg naar Adama. Addis kan nog tien lightrail-lijnen gebruiken, zoveel is zeker.

Onze chauffeur grijnst breed als hij voorbij de tolpoort het gaspedaal kan indrukken. Splinternieuw asfalt, zes heerlijke baanvakken breed en weinig verkeer.

Na een klein half uur neemt hij de afrit naar Dukem, een slaperig stadje met een gigantisch industriepark. Het Chinese bedrijf Huajian International heeft hier sinds januari 2012 twee productielijnen voor schoenen. Werkten er eerst 600 mensen, onderhand zijn het er bijna zes keer zoveel, goed voor een jaarlijkse export van meer dan 2 miljoen paar muiltjes, sneakers en sandalen.

We ontmoeten Yohannes (32) in het café voor het aftandse Rode Heuvel Hotel, op een km afstand van de fabriek. Alleen omdat we vrienden van vrienden zijn, heeft hij ingestemd met dit gesprek.

‘Ik wil geen risico’s nemen, het was best moeilijk om deze baan te vinden’, zegt hij zacht. Zeker voor een oppositie-activist als hij, die na de frauduleuze parlementsverkiezingen van 2005 het land moest ontvluchten. Drie jaar lang was hij zich in Kenya loslopend wild, ten prooi aan de legendarische hebzucht van de politie.

In de eerste jaren na zijn terugkeer kwam Yohannes als dagloner aan de kost. Nu heeft hij hier een vaste job, achter een machine die patronen in het leer knipt. ‘Lastig is het niet, maar je moet er wel je hoofd bijhouden. Wie een lap leer verprutst, ziet dat aan het einde van de dag van zijn loon afgetrokken’.

Yohannes klaagt niet over de Chinese ploegbazen en ook de obligate ochtendlijke militaire dril is geen punt. ‘Zo gaat dat nu eenmaal: de werknemers moeten eerst een liedje zingen, zelfs in een taal die ze niet begrijpen. Op de China heeft dat een motiverend effect, zij werken alsof hun leven ervan afhangt’.

‘Ons probleem is dat het loon te laag is. Maand na maand is het schrapen om rond te komen. Ik heb een zieke moeder en een kind te onderhouden. Dat lukt alleen door veel overuren te maken’.

De maandwedde bij Huajian bedraagt 35 à 50 euro, zowat de helft van wat een werknemer in Bangladesh verdient en minder dan een tiende van een Chinees salaris. Het bedrijf is eigendom van Zhang Huarong, een gewezen militair die sinds 1984 schoenen maakt in de Zuid-Chinese Speciale Economische Zone van Dongguan. 25.000 mensen werken daar, maar dat aantal zal de komende jaren wellicht slinken.

Volgens Justin Yifu Lin, de gewezen hoofdeconoom van de Wereldbank, zullen in het volgende decennium 80 miljoen Chinese banen verdwijnen door delokalisatie en het is naar oorden als Dukem dat de ondernemers uitwijken. Immers, Ethiopië heeft behalve lage lonen ook politieke stabiliteit, een gigantische beroepsbevolking en gunstige exportvoorwaarden naar zowel de EU (Everything but Arms), als de VS (African Growth and Opportunity Act).

Als we onderzoeker Dawit Alemu mogen geloven, dan is het de Chinese ondernemers vooral om dat laatste te doen. ‘Vijf jaar geleden had men het over de vele honderden bedrijven die zich hier zouden vestigen’, zegt hij een paar dagen later. ‘Ik heb ze nog niet gezien. Om goede redenen: de energiebevoorrading hapert, de Ethiopische arbeiders zijn laag geschoold en transport is door de meer dan 600 km lange afstand naar de exporthaven van Djibouti peperduur.

‘Wie garandeert dat nu niet hetzelfde gebeurt als in 2007 met Nazareth Garment Share Company, een van de grootste semi-staatsbedrijven van Ethiopië? Teneinde de productiviteit en efficiëntie te verhogen, haalde de firma een stel Chinese managers in huis. Korte tijd nadien werden de kledingetiketten van de firma aangetroffen op Chinese exportwaren voor de westerse markt, kwestie van te profiteren van de voordelige Ethiopische uitvoercondities’.

Boerenvreugde

De weg van Dukem naar de vulkanische meren in Debre Zeyit voert langs het Chinees restaurant ‘Boerenvreugde’. Het is al bij tweeën en er zijn geen andere klanten. Uitbaatster Wei Bao (52) prijst de roodgebakken tilapia aan, en de blokjes kippenborst met paprika en pinda’s. Onze Ethiopische tolk schrikt van de prijzen op de menukaart. ‘Vijf keer zo duur als Ethiopisch eten’, mompelt hij.

Wei, die uit een dorp in de Zuid-Chinese provincie Fujian komt, benadrukt dat ze alles zelf kweekt en troont me mee naar de moestuin achter het restaurant. ‘We moesten wel zelf aan de slag gaan. In dit land is geen wintermeloen, paksoi of waterspinazie te vinden. En je weet hoe we over vis denken’, lacht ze, terwijl ze naar de vijver gebaart. ‘Die smaakt het best als hij net is gevangen’.

Midden 2015 is Wei voor de tweede keer in Ethiopië aangekomen, acht jaar nadat ze hier al enige maanden doorbracht. ‘Ik kon toen niet aarden, er was ongeveer niets te krijgen en op straat werd je aangestaard.

‘Het is ongelofelijk hoeveel er is veranderd. Nu doet Ethiopië me denken aan het China van de jaren tachtig, net na de lancering van de opendeurpolitiek. De kansen liggen voor het rapen’.

Haar man is hier al tien jaar en wil niet terug. Eerst werkte hij voor een Chinees staatsbedrijf, nu doet hij zaken. ‘De Chinese drukte en de genadeloze concurrentie hoeven voor hem niet meer’.

‘Of ik hier voorgoed wil blijven, weet ik nog niet. Maar het klimaat is heerlijk, er komen steeds meer klanten en de Ethiopische keukenhulpen en kelners werken behoorlijk. De slimsten van kennen de Chinese namen van de gerechten al uit hun hoofd’.

Feniksman

La Terace, een hip cafe in de sjieke Bole-wijk van Addis. Wu Changsheng (32) stopt zijn iphone 6 weg en glimlacht welwillend. Hij komt uit een dorp in Subei, het achtergebleven noorden van de rijke Chinese provincie Jiangsu. Dat hij hier is, komt door zijn vader. Die werkte tien jaar lang als rurale migrant in Shanghai. Eerst om de boetes te betalen (het gezin heeft twee kinderen teveel), dan om de universitaire studies te bekostigen van zijn eerstgeborene.

Wu is een feniks, een spreeuw die op een hogere tak ging zitten. Jaar na jaar slokte zijn inschrijvingsgeld het gros van het gezinsinkomen op. Maar het betrof een weloverwogen investering, zoiets als een familiaal toegangskaartje tot de stad. Immers, alleen door zijn universitair diploma kon het gezin zich voorgoed ontdoen van zijn rurale hukou (administratieve status).

De voorbije zes jaar werkte Wu als programmeur voor de private Telecomgigant ZTE in Ethiopië. ‘Hierheen komen was de beste beslissing van mijn leven. De enige die ik mis, zijn mijn vrouw en veertien maanden oude dochter. En ook dat valt mee. Via de Chinese variant van Skype hebben we dagelijks contact en twee keer per jaar kan ik voor veertien dagen naar ze toe, op kosten van het bedrijf. Mijn vrouw zou ook hier kunnen werken, maar ik wil haar niet verplichten om haar job op te geven. Ze heeft het in China erg naar haar zin. Beroepshalve reist ze het hele land af, terwijl mijn ouders voor onze dochter zorgen’.

Wu verdient maandelijks omgerekend 3.000 euro en kan het gros daarvan sparen. Hij woont met een paar collega’s in een door ZTE voorzien appartement, luncht in de bedrijfskantine en brengt zijn avonden door met cafébezoek en kaarten. Tijdens het weekend gaan hij en zijn vrienden de stad uit.

‘Ik heb lang getwijfeld over deze baan: je weet immers niet wat je te wachten staat. Het Afrika van de televisie is er een van droogte, opwaaiend stof en in lompen gehulde mensen. Maar het salaris gaf de doorslag’.

Door een driejarig uitzendcontract te ondertekenen, kon Wu’s vader met pensioen. De hele familie verhuisde naar een appartement in Nanjing, dat hij met het eerste jaar loon heeft gekocht. ‘Een kwestie van xiao, de voor Chinezen zo belangrijke kinderlijke piëteit’.

Hoe lang hij nog zal blijven, weet Wu niet. ‘Ik geniet van elke dag. Het punt is dat ik niet langer dan tien jaar van de Chinese arbeidsmarkt mag wegblijven. Wie niet tijdig terugkeert, vindt geen goede baan meer. De concurrentie is keihard en ervaring in Afrika beschouwen werkgevers niet als een meerwaarde. Ze betwijfelen of je het jachtige Chinese leven nog wel aankan’.

Wu’s mooie, hippe collega Grace Gao (27), pr-directeur bij EZT, haalt haar schouders op. ‘Mijn man en ik zijn er nog niet uit’, zegt ze lachend. ‘Misschien keren we terug naar China als we kinderen hebben. Je kan daar immers niet halverwege in het onderwijssysteem stappen. Maar voorlopig is dit mijn paradijs’.

Ook Gao komt van het Chinese platteland maar haar ouders behoren niet tot China’s 260 miljoen rurale migranten die in stad bitter gingen eten om hun familieleden een beter leven te geven. Dat zij toch naar de universiteit kon, is aan haar uitzonderlijke intelligentie toe te schrijven. Gao kreeg een van de zeldzame staatsbeurzen voor rurale bollebozen en ging Frans studeren in Xi’an. ‘Daar zat toekomst in, zeiden ze, vooral nu zoveel Chinese staatsbedrijven in Afrika investeren. Die kennis is hier uiteraard niet van pas gekomen, maar ondertussen heb ik Engels geleerd’.

Gao kwam hier als 23-jarige single aan. ‘Een goede zet’, zegt ze zelf. ‘Het gros van de collega’s zijn ongehuwde mannen, een groot reservoir dus om een geschikte echtgenoot in te vinden’. Dat is inmiddels gebeurd. Na een maand of twee werd ze verliefd op een programmeur, met wie ze vorig jaar trouwde.

Is het toeval dat zowel de Chinese restauranthouders als de werknemers van grote bedrijven hoofdzakelijk van het platteland komen? Gao en Wu lachen ongemakkelijk. ‘Wellicht is het voor ons makkelijker’, antwoordt zij uiteindelijk. ‘We zijn minder veeleisend dan stedelingen en we herkennen veel dingen. Ik zeg het vaak tegen mijn moeder: dit is een Afrikaanse versie van onze district-hoofdplaats vroeger. Compleet met bouwwerven, onverharde wegen en tal van nieuwe winkels, cafés en restaurants. Of de rest van het Ethiopische verhaal analoog zal zijn aan het Chinese, valt evenwel nog te bezien. Er zal nog veel buitenlandse hulp nodig zijn, alleen redt Ethiopië het niet’.

Contractbruiden

De eerste aanblik van Rwanda Market is die van een doordeweekse Afrikaanse markt: goedkope Chinese import alom, en een geur van pluimvee, vermengd met die van snijbloemen en geslachte geiten. Wat opvalt zijn de Chinese klanten. Mannen met opgetrokken broekspijpen om modderspatten te vermijden, vrouwen met een blik op oneindig en een zakdoek voor de mond.

Voor de aanschaf van tofu zijn ze alvast te laat. De duizend stuks die meneer Wang meebracht, waren om iets na zeven de deur uit. ‘Zo is het bijna altijd’, lacht hij. ‘De grote bedrijven bestellen honderden blokken tegelijk voor hun kantines. Het is nog maar half twaalf en het enige dat me rest, is een diepvries vol varkensgehakt en enige jerrycans sterke drank’.

Wang is in 2013 met een tofumachine hierheen gekomen, na meer dan tien jaar zaken doen in Dubai. ‘Ik heb er spijt van en wil terug naar de Golf. Daar zijn veel meer mogelijkheden. Het enige wat hier deugt, is het weer. Geld valt er nauwelijks te verdienen en bovendien duurt het een eeuwigheid voor je aan de slag kan’.

Dat laatste is ook onder Ethiopiërs een veel gehoorde klacht. De bureaucratie is traag, de regelgeving ondoorgrondelijk en de jongste jaren neemt de corruptie een hoge vlucht. Maar wat meneer Wang vooral dwarszit, is dat ferengi’s en China niet actief mogen zijn in de detailhandel.

De overheid wil daarmee de eigen middenklasse beschermen en oneerlijke concurrentie vermijden. Maar waarom zijn er dan toch tal van Chinese mini-supermarkten en verkopers als Wang? ‘Dat zijn officieel allemaal Ethiopische bedrijfjes’, zegt onderzoeker Dawit Alemu. ‘De Chinese ondernemers omzeilen het exploitatieverbod door beroep te doen op een delala, een traditionele bemiddelaar. Concentreerde zo’n man zich vroeger op het vinden van verkopers en klanten bij de interregionale graanverkoop, onderhand kan hij àlles versieren. Van huishoudpersoneel voor ferengi’s over prostituees voor Golf-Arabieren tot (veelal rurale) contractbruiden voor China.

‘Concreet komt het hierop neer: de Chinese ondernemer trouwt met een jonge Ethiopische, met een huwelijkscontract dat haar een maandelijkse toelage van zo’n 1000 Birr (40 euro) verzekert maar verdere aanspraak op zijn centen of eigendommen uitsluit. En vervolgens wordt op haar naam een zakenlicentie aangevraagd.

‘Schijnhuwelijken kan je dat niet noemen. De meeste stellen wonen echt samen, al hebben de mannen vaak ook nog een gezin in China. Maar schijnbaar is dat geen punt. Velen hebben al kinderen, zoals je ziet is het China-gen hier voorgoed (lacht)’.

Comments are closed.