Catherine Vuylsteke

Writer, journalist, filmmaker & China-expert

Volksrepubliek van Verlangen Fragment 2

4. Het zweet der transformatie

Het stationsplein van de Sichuanese hoofdstad Chengdu, een week na Chinees Nieuwjaar. Tienduizenden mannen en vrouwen zitten, liggen of staan rond of op grote stukken bagage, goedkope koffers met wielen die het in een vorig leven al begaven en jeanstassen die abusievelijk als rugzak werden getorst, waardoor de veel te dunne riemen gingen scheuren.

De meeste mensen zijn gehuld in bijna nieuwe, maar onderhand vies geworden zondagse kleren, opzichtige spullen vaak, nieuwerwets en slecht gesneden. De mannen zitten in het pak, de vrouwen, met hun geëpileerde wenkbrauwen en kwistig gebruikte make-up, houden zich sterk op vaak veel te hoge hakken. Het zijn deze kleren, schoenen, parfums en kapsels die de thuisblijvers zich zullen herinneren. Zo hebben ouders, echtgenoten, broers, zussen en kinderen immers afscheid van elkaar genomen, voor het eerst of voor de zoveelste keer, maar in de meeste gevallen voor een heel jaar. Alleen de op Chinees Nieuwjaar gemaakte foto’s blijven achter, ter visuele ondersteuning van de telefoongesprekken die vanuit de steeds talrijker wordende belwinkels in de steden zullen worden gevoerd.

In het midden van het plein staan vijf caravans, met daarvoor vijf eindeloze rijen die op haast militaire wijze in bedwang worden gehouden door een half leger politiemannen. De mensenhagen kronkelen zich bochtig naar de loketten, waaraan alleen tickets naar Shanghai worden verkocht. Naar het schijnt heeft die stad zelf voor deze ambulante verkooppunten gezorgd, alsook voor extra treinen, zodat de miljoenen rurale migranten het problematische transport niet als smoes zouden kunnen gebruiken om na de vakantie nog wekenlang van hun werk weg te blijven.

Shanghai, daar kom ik enige dagen later achter, is overigens niet de enige migrantenmagneet die een dergelijke regeling heeft getroffen: in de busen treinstations van Chongqing heeft Guangzhou voor een nog veel indrukwekkender logistiek gezorgd en in Xi’an hebben ze eveneens aparte verkooppunten. Tickets naar alle overige bestemmingen in China worden niet op het plein maar binnen aan de stationsloketten verkocht. De rijen daarvoor beginnen op honderden meter daarvandaan, naast de standplaats voor taxi’s.

Af en toe gaat er een golfje door de opeengepakte menigte, als er ver weg in de stationshal een nieuw loket opengaat. Of als de aan zijn uniform te oordelen hooggeplaatste ordehandhaver in een soort pausmobiel langsrijdt, terwijl zijn ondergeschikten op zijn aanwijzingen de knuppel hanteren. Momenteel, zo hoor ik van mevrouw Liu (42), die net zeven uren heeft aangeschoven om twee kaartjes voor Shanghai te bemachtigen, worden de tickets voor over twaalf dagen verkocht. Hoe de driehonderd resterende uren tot aan het vertrek moeten worden zoekgemaakt, mag Joost weten. ‘De mannen blijven,’ aldus mevrouw Liu, ‘de vrouwen proberen een goedkope kamer te vinden. Het stationsplein is ’s nachts namelijk niet veilig.’

Mevrouw Liu is hier met haar iets jongere nicht, met wie ze al zes jaar in Shanghai werkt. Ze komen uit een bergdorp op 1 euro afstand van Chengdu. Deze boerenvrouwen rekenen immers niet in kilometers maar in de bedragen die nodig zijn voor een bepaalde reis. ‘Een ticket naar Shanghai kost omgerekend 24 euro’, zegt ze met nadruk. ‘En voor een hele maand werken, met alle bonussen voor weekenden overwerk inbegrepen, krijgen we 80 euro. Daar gaat nog 10 euro af voor het bed in de slaapzaal van de fabriek en nog eens een dikke 10 voor eten en kleine uitgaven. Als je echt vreselijk zuinig bent en geen cent meer uitgeeft dan je absoluut moet, kun je zo’n 50 euro sparen.’

Liu’s nicht lacht een slecht gebit bloot. ‘Goed betaald is dat niet meteen. En de uitgaven stijgen voortdurend, terwijl het loon al die jaren hetzelfde is gebleven. Geen cent kwam erbij.’

Beide vrouwen laten thuis een echtgenoot, schoonfamilie en tienerkinderen achter. Ze wensten dat het niet meer hoefde, dit vertrek na krap vier dagen thuis. ‘Hij is nu vijftien, mijn zoon’, zegt Liu met een zucht. ‘Momenteel betalen we 40 euro schoolgeld per trimester. Vanaf volgend jaar wordt dat nog een pak meer. Immers, de eerste negen jaar onderwijs zijn verplicht en officieel heet dat onderricht voor plattelandsbewoners geheel gratis te zijn. Het hoger middelbaar onderwijs daarentegen wordt nauwelijks gesubsidieerd.’

Mevrouw Liu weet waarover ze het heeft. Al meer dan een jaar spaart ze ervoor, voor het schoolgeld dat de komende tijd zal moeten worden opgehoest. ‘Mijn zoon moet een beter leven krijgen dan wij. Studies zijn de enige uitweg uit de armoede. Daarom hou ik vol.’

Liu is eerst vertrokken, haar nicht volgde haar twee jaar later. Waarom ze voor Shanghai opteerden en geen baan zochten dichter bij huis? ‘Het is erg moeilijk om werk te vinden, zeker voor ongeschoolden als wij. Alleen via een introductie kom je aan een job. We hadden een buurvrouw die begin jaren negentig al was vertrokken. Ze ging met een nicht van haar man mee, een vrouw uit Jiangsu, de provincie rond Shanghai. Zij ging als eerste in Spinnerij Nummer 21 werken.’

Die textielfirma was een van de vele staatsbedrijven in Shanghai die in de eerste helft van de jaren negentig tienduizenden vrouwen aan de deur zette omdat ze hogere lonen of betere arbeidsomstandigheden eisten. Korte tijd later werden rurale migranten in dienst genomen, vaak tegen de helft van de vroegere bezoldiging.

Veertig procent van die ontslagen stedelijke arbeidsters vond sindsdien geen werk meer. En met de ontslagvergoeding liep het evengoed in veel gevallen mis: bijna één vrouw op vijf kreeg niets, één op tien moest het voortaan doen met minder dan 10 euro per maand en de helft ontving een bedrag tussen 10 en 20 euro. Het vinden van een nieuwe, formele baan, zo wees onderzoek van China’s enige toegelaten vakbond Acftu uit, bleek slechts voor 6,8 procent van de afgedankte dames mogelijk.

Of mevrouw Liu zich bewust is van die wildkapitalistische race naar de bodem? Ze haalt haar schouders op. ‘Wat wilt u dat we doen’, zegt ze zacht. ‘We zijn maar simpele boerenvrouwen. Bovendien is ons leven altijd hard, zowel in het dorp dat we achterlieten als in de metropool waar we het volgende jaar zullen doorbrengen.’